donderdag 16 oktober 2014

Requiem: Hoofdstuk 6 (1e deel)







6



            Inspecteur Norino Vastai las voor de zoveelste maal het briefje door dat hem via  postzending was toegezonden. Niettegenstaande de moeite die zijn collega’s hadden gedaan om de afzender van het bericht op te sporen, hadden deze pogingen niets opgeleverd. Het was ook onmogelijk gebleken om de persoon in kwestie via de specifieke plaats op te sporen waarvan het bericht was verzonden.
De lasercodering van de zending gaf aan dat de brief was gepost in postbus 2509 Sanctuary. Maar zelf met de vele vaste camera’s in de straten of de mobiele spybots die sommige delen van de stad surveilleerden kon men de postbussen niet allemaal screenen. Misschien zou dit wel mogelijk geweest zijn, in de wetenschap dat men die brievenbus in het oog moest houden, als men een aantal camera’s vooraf had geprogrammeerd. Het bleek na onderzoek van de betreffende postbox dat die juist in een dode hoek van de vaste camera’s stond. Toeval of bedoeld?
Niet dat Norino Vastai in eerste instantie de tekst niet kon ‘lezen’ of dat hij niet wist wie die ronkende vreemde woorden ooit had geschreven. De databanken  van voor de ‘Grote Oorlog’ waren gelukkig voor de mensheid bewaard  gebleven en hadden hem al de naam van de oorspronkelijke schrijver van deze woorden onthuld. Die hadden prijsgegeven dat hij een uittreksel van het ‘Requiem’ van Mozart in de hand had. Helaas was de vertaling van deze tekst niet beschikbaar in de databanken van de veiligheidsdienst en het was een taal die hij niet machtig was. De geschiedenis van vóór de vernietiging van een deel van de wereld was een stukje relikwie en een stille getuige hoe de mens zijn eigen ondergang in de hand had gewerkt. Er waren boeken, muziekstukken, biografieën, foto’s van monumenten en bezienswaardigheden en veel andere dingen in deze databanken bewaard. Hij keek naar het zwierige handschrift en las het briefje nog eens door.

Dies irae, dies illa
Solvet seaeclum in favilla,
Test David cum Sybilla.

Quantus tremor et futurus.
Quando Judex est venturus
Cuncta stricte discurrus.

De dienst vingerafdrukken had niets bruikbaar kunnen ontdekken aan het papiertje. Het was van een gerecycleerd soort dat overal verkocht werd – echt papier was peperduur geworden - en het chemisch onderzoek naar de inkt of eventueel DNA op het papier had ook niets aan het licht gebracht. Geen zeldzame inktsoort die hen in een bepaalde richting of winkel kon sturen. Gewoon een vlekkeloos beschreven papiertje zonder sporen.
Nog een geluk bij een ongeluk dat een van zijn collega’s naast zijn diploma criminologie en nog een paar andere getuigschriften in zijn jeugdjaren nog was klassieke en teloorgegane talen had bestudeerd. Een dode taal als het Latijn werd niet meer opgenomen in de lesroosters van de Nieuwe Wereld. De voertaal was het Engels, zowel in het bedrijfsleven als voor de wetenschappelijke wereld, zelf de mensen in de medische sector die in het begin van de 21e eeuw nog gebruik maakten van vele Latijnse termen waren daarvan afgestapt. Maar nu was Norino blij beroep te kunnen doen op dat stukje kennis van die collega. Een vertaalbureau zou trouwens weer een extra post zijn op zijn maandelijkse onkostennota waar de directie nog maar eens op zou vitten en beknibbelen. Heden ten dage moest iedere cent verantwoord worden, tot in het extreme toe. Daarom las hij nu op een bijgevoegde digitale nota van zijn collega, de uitgetypte vertaling van dit anonieme vreemde bericht:

Dag van de gramschap, die dag der dagen
Welke de wereld in as zal leggen,
Zoals David en Sybilla getuigen

Welk een angst zal er zijn,
Als de  Rechter zal komen,
Om alles rechtvaardig te oordelen.

Voor de volledigheid had zijn collega en vertaler eronder bijgeschreven: ‘Uittreksel en vertaling uit het “Requiem” van Mozart.

Normaal gezien zou men Norino Vastai nooit ‘dit’ bericht hebben doorgegeven. Maar onderaan de Latijnse tekst stond in zwierige letters een vraag. Een vraag die niet in het Latijn was gesteld. Het was geschreven in Norino’s landstaal. Die woorden die hij al zeker tien keer had gelezen deden de hoofdinspecteur bezorgd de wenkbrauwen fronzen.
Wie is de volgende na Suzy Chang?



……….



Hij zat in lotushouding naakt op een grijze koude betonnen grond. Onbeweeglijk als een paspop of een wassen beeld. De ogen gesloten. Enkel de verticale en horizontale bewegingen achter zijn gesloten oogleden getuigden dat het hier niet om een pop maar om een levend wezen ging en dat die persoon klaarblijkelijk in de fase van de  remslaap verkeerde.
Beelden van bloed, gehuil en geschreeuw vulden zijn dromen. Een glimlach lag verstard om zijn lippen. Hij hoorde het smeken en het om vergiffenis bidden, het wenen van zijn slachtoffers in het besef van hun zonden. Zondaars die hij op de goede weg had gezet. Iemand die zijn fouten inzag en om vergiffenis smeekte, werd de gepaste genade verschaft. De genade van de dood. Het uitwissen van hun misdaden in het wassen van hun eigen bloed, dat was de enige manier om hen te reinigen van hun zonden.
Tussen zijn handen die ontspannen op zijn knieën rustten was duidelijk zijn erectie zichtbaar. Zo bleef hij zitten in zijn wereld van gruwel en dood. Zowat een half uur lang zonder enig uiterlijk teken van leven te geven, bleef hij in dezelfde positie zitten. Toen stond hij plots in één vloeiende beweging recht uit zijn zittende houding en opende tegelijkertijd de ogen.
Voor hem stond een klein verhoog, een soort van altaar waarop hij verschillende voorwerpen had tentoongesteld. Aan elke kant van deze voorwerpen bevonden zich vier kaarsen die in de schemerige ruimte rondom hem griezelige schaduwen wierpen op de ruwe muren. Zijn naakte gestalte werd in een veelvoud geprojecteerd op de wanden van die muren. Een luguber schaduwspel.
Hij streelde met eerbied over het altaar en de dingen die hij had verzameld. Fetisjen, bewijzen van zijn overwinningen, de verloren schapen, de geredde kudde. Hoelang was hij al niet bezig om de misleidden op het juiste pad te brengen. Hij nam voorzichtig een haarlok die hij in een doorzichtig plastiekfolie had verpakt op, opende het pakje en rook met hartstocht aan de haren, vouwde de folie terug toe en legde het terug op zijn plaats. Zo deed hij met al de objecten die op het altaar lagen.
Exaudi orationem meam, ad te omnis caro veniet. Luister naar mijn gebed; tot U komt al het vlees,’ prevelde hij nadenkend in het Latijn terwijl hij een stukje huid ter grote van een geldstuk in zijn beide handen nam en aan de foto offerde die achter op het altaar stond. Nadat hij deze rituelen had verricht nam hij de Nihonto uit de houder die ook op het altaar stond en trok die uit de schede die hij in de houder op het altaar teruglegde.
Hij wendde zich naar rechts waar zich nog een deur bevond. Een deur die naar een andere ruimte voerde die net zo schemerig was als de kamer met het altaar. Aan een haak aan de linkse kant van de deur hing een groot wit doek die hij over zich drapeerde. Twee gaten in het doek ter hoogte van zijn ogen maakte het hem mogelijk om zijn weg te vinden. Hij opende de deur naar die andere kamer en verliet zijn persoonlijke intieme tempel.
            Aan zware kettingen die vast geankerd waren in de muur hing een man. Toen de witte gedaante de kamer binnenkwam had de man amper het hoofd bewogen. Toch had hij iets gehoord en er klonk een jammerend geluid uit zijn keel dat door been en merg sneed. Het was angst die in klanken uit het strot van de gevangene geperst werd. Een geluid dat langzaam aanzwol naarmate de witte gedaante naderde.




……..

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen