donderdag 13 november 2014

De vrouw in het rood: Deel 27















27.

            Op aanwijzen van Katarina, had Cecile haar zus en Jean-Pierre naar de plaats van rendez-vous gebracht. Er was afgesproken dat Cecile in de auto zou wachten om uit te kijken of er geen verdachte individuen of zelfs de politie op de hoogte was van hun activiteiten.         
            Katarina was heel zenuwachtig. Ze had op de heenweg verschillende keren haar mobieltje geraadpleegd, niettegenstaande ze geen sms-geluid had gekregen. Ze wist zich gewoon geen raad met haar handen. Ze had ook uit nervositeit op haar nagels zitten bijten en op het laatste eind had ze gewoon tegen Jean-Pierre genesteld en speelde ze verstrooid met de vingers van zijn linkerhand.
            Waarom had Beatrice op deze plaats afgesproken. De nachtclub ‘Pretty Men and Women’ was een van de eigendommen van Beatrice zelf. Katarina vond dat dit niet een goede keus was, gezien de politie al deze locaties kende en misschien in het oog zou houden. Maar niettegenstaande het risico had men er haar niet kunnen van afhouden om door te gaan met de afgesproken ontmoeting.
            ‘Bedankt, Cecile, voor alles wat je doet. Ik sta in het krijt bij je, heel erg in het krijt.’ Katarina wierp haar zuster een warme glimlach toe die direct beantwoord werd.
            ‘Niets daarvan, je bent mijn zus, ik doe het graag. Voor moeder…dat is een andere zaak,’ voegde Cecile er met een grimas aan toe.
            Katarina en Jean-Pierre gingen hand in hand naar de ingang van het pand waar de nachtclub gevestigd was. Niets wees er op dat er gevaar was en toch keken beiden af en toe rond zich alsof ze ieder moment verwachtten om overvallen te worden.
            Jean-Pierre tastte aan de deurklink en ondervond geen weerstand. De deur was open, men verwachtte hen blijkbaar. Via een donkere gang kwamen ze aan een slecht verlichte trap die hen naar een kelder leidde. Volgens Katarina was daar de bar en de club gevestigd. Ook de deur die leidde naar deze ruimte was niet gesloten.
            Jean-Pierre nam het voortouw en piepte eerst even langs de deur. Hij zag echter niets. Er was geen persoon te zien aan de bar noch in het gedeelte dat diende als nightclub.
            ‘Misschien is ze verhinderd en laat ze nog iets weten,’ opperde hij zonder dat hij het zelf geloofde.
            Ze hoorden plotseling gestommel van achter de coulissen van een klein podium dat zich in de diepte van de nightclub bevond. Een tweetal mannen met tussen hen de Barones, kwamen van achter de zwarte gordijnen van de coulissen tevoorschijn. De Barones was gekneveld en zag er verdwaasd uit, maar toen ze Katarina herkende, vlogen haar ogen wijd open en er stond angst in geschreven. Ze duwden de Barones nogal hardhandig in een stoel en de grootste van de twee wees naar Jean-Pierre en Katarina en dan naar twee andere stoelen. Blijkbaar konden die gorilla’s niet praten.
            Jean-Pierre wou eerst niet gehoorzamen, maar toen de kleinere van de twee een wapen trok en ze beiden wel moesten ingaan op het weinig vriendelijke verzoek.
            ‘Wat betekent dit, wie zijn jullie?’ De stem van Katarina klonk schril en metaalachtig in de grote ruimte die buiten hen leeg was. Katarina had direct opgemerkt dat haar moeder een verband rond de hand had. Dat zou het bloed verklaren in de kamer van het Justitiepaleis. Blijkbaar was de wond niet ernstig, gezien haar moeder op eigen voeten de ruimte had betreden.
            Zonder dat de twee mannetjesputters hun mond hadden open gedaan, kwam een gedistingeerde heer binnen langs dezelfde weg waarlangs zijn handlangers waren verschenen. Hij was volledig in kostuum en het viel Jean-Pierre op dat hij handschoenen droeg. Waarschijnlijk maakte hij zijn eigen handen niet graag vuil en had daarom beroep gedaan op de twee gangsters die de Barones op dit moment flankeerden.
            ‘Ik veronderstel dat u Katarina bent, gezien u op onze uitnodiging bent uitgegaan, maar meneer ken ik niet.’ Zijn koude ogen namen Jean-Pierre op van boven naar beneden. Hij werd gekeurd en duidelijk niet goed bevonden.
            ‘Hij is een goede vriend die mij…naar hier heeft gereden,’ antwoordde Katarina,’hij is op de hoogte van alles.’
            De man lachte plots heel hard. ‘Alles…wat is alles, mijn kind? Je weet niet wat je zegt. Moest je alles weten wat ik weet, dan denk ik dat je dat niet zou zeggen. Jij…jij weet niets. En laat het best maar zo blijven, voor je eigen welzijn.’ Hij deed een teken naar de dichtstbijzijnde helper en die verwijderde de knevel van de Barones.
            Ze kokhalsde terwijl de man haar bevrijdde van de vuile prop die in haar mond was gestopt. ‘Katarina…!’ Haar stem brak en de tranen vloeiden over haar gezicht terwijl ze bijna geen geluid maakte.
            De heer maakte rondjes rond de stoel waar de Barones op zat, zonder dat hij het tweetal uit het oog verloor. ‘Het zit zo, mijn beste Katarina. Jouw moeder dacht ze een centje kon bijverdienen en heeft daarom een grens overschreden. Dat feit moet normaal gezien bestraft worden. Maar mijn werkgever is heel ruimdenkend en kan eventueel deze zonde over het hoofd zien.’
            Katarina en Jean-Pierre luisterden met verbazing naar de monoloog van de parvenu. Ze keken vol onbegrip naar de Barones die ondertussen stil was geworden en met gebogen hoofd, doorgezakt op de stoel zat. De vrouw was duidelijk kapot van vermoeidheid en angst.
            ‘Het zal jullie niet vreemd zijn, dat in de omstandigheden die normaal genoemd worden op Château Dauphin, er heel wat vooraanstaande heren en dames op bezoek komen. Mijn opdrachtgever is iemand die tot deze klasse mag genoemd worden. Helaas moet ik bekennen, is die nogal loslippig als hij wat gedronken heeft en in de handen van vrouwelijk schoon vertoeft. Madame blijkt de gewoonte te hebben van gesprekken op te nemen en ze dan tegen geldelijk gewin te ruilen. Ik ben de eerste om entrepreneurschap te verwelkomen en te stimuleren, maar als het op mijn werkgever aankomt, dat is heel andere koek. Zijn connecties met ons kunnen beter niet algemene kennis worden. We hebben veel te lang gewerkt om een vinger in de pap te hebben, om het wat ludiek uit te drukken.’
            De man hield er duidelijk van om zichzelf te horen praten. Hij begeleidde zijn betoog met wijde gebaren als een gerenommeerd advocaat die zijn pleidooi aan het houden was. Af en toe bleef hij staan en legde een hand op de schouder van de Barones. Ze kromp iedere keer van schrik nog meer in elkaar.
            ‘De tapes…! Ja, we weten dat er een drietal tapes zijn, maar we hebben een probleempje. Mevrouw de Barones wil helaas niet zeggen waar die zijn. Maar ik denk, nu dat haar dochter hier is, dat zijn misschien wel kan overtuigd worden dat het in ieders welzijn zou kunnen zijn dat zij op haar besluit terug kwam. Hij was in een paar stappen bij Katarina en greep haar bij de nek.
            Jean-Pierre sprong recht, maar kreeg een duw van een van de handlangers zodanig dat hij achterwaarts over zijn stoel viel en daar op de grond bleef liggen, gezien de man zijn pistool op hem richtte en hij zich niet meer durfde verroeren, bang dat hij een kogel door zijn hoofd zou krijgen.
            ‘Mevrouw, Madame als je dit liever hoort,’ sprak de leider, ‘je krijgt welgeteld vijf seconden om me te zeggen waar de tapes liggen anders…’ Hij had ondertussen ook een pistool uit een holster gehaald en hield het veelzeggend tegen de zijkant van het hoofd van Katarina.’
            ‘Een…twee…drie…vier…!’

© Rudi J.P. Lejaeghere
05/11/2014

            

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen