zondag 14 december 2014

Steen: Hoofdstuk 1


1


            De hoofdstad van Boven- en Benedenland gonsde van bedrijvigheid. Eenmaal in de maand kwamen van heinde en ver de marktkramers met hun waren om deze aan de bewoners van Carpagio te slijten. Je zag hier alles op de tientallen kraampjes uitgestald. Diverse kleurige stoffen, van katoen tot kleurige zijde, voedingsmiddelen zoals appels, peren maar ook wortelen en verschillende soorten kool, tomaten en aardappelen, pastinaak en gember waren maar enkele van de honderden soorten  goederen die men op de markt van Carpagio kon vinden. Er waren ook kramers die kunstige voorwerpjes verkochten die ze in de loop van de maand hadden vervaardigd. Er waren zelfs kooplieden met kippen, varkens en diverse soorten vogels die in een kakofonie van dierengeluiden hun waren aanprezen. Een paar verkochten zelf uitheemse dieren  zoals lynxen, kleine krokodillen en aapjes.
            De kramers zelf waren een bonte bende. Zij die van Benedenland kwamen, waren gekleed in rood en gele gewaden. Deze van Bovenland tooiden zich met minder kleuren. Daarentegen waren hun ontblote armen getatoeëerd met de Bovenlandse runen. Hoe meer je er had, hoe welvarender de koopman was.
            Bovenland bestond uit drie provincies van westen naar oosten gesitueerd: Westoord, Kondor en Speloek. Hun bewoners waren gekend als extroverte mensen. Je hoorde hen al van tientallen meters ver. Zo luid waren ze in het aanprijzen van hun waren. Het waren goede ambachtslieden, die misschien niet van de goedkoopste goederen leverden, maar je kreeg wel waar voor je geld.
            De mensen van Benedenland kwamen ofwel uit Spira, Konteki of Mandregon. Met hun weelderige tekeningen op hun armen kende men hen als eerder stille, maar noeste werkers. Nogal stug in de omgang, kon je hen niet altijd vertrouwen. Ze durfden wel eens minderwaardige goederen verkopen aan naïeve kopers voor een nogal dure prijs. Wanneer ze gesard werden, waren het kwalijke vijanden. Ze droegen meestal in hun riemen verschillende messen mee, die ze bij schermutselingen nogal gauw trokken om hun gelijk bij te zetten.
            Tom Varsen kwam uit Carpagio zelf. Deze Bovenlandse stad bevond zich in de provincie Westoord, waar ook het koninklijke kasteel en het parlementsgebouw stond. Hij was leerling smid bij Sam Dorense, de beste smid van de hoofdstad van Westoord en omstreken. Bij gelegenheid van de maandelijkse marktdag kreeg Tom vrij zodanig dat hij alle kraampjes kon afschuimen. Het was voor hem iedere keer weer een feestdag. Hij hield van de luidruchtige sfeer die rond de marktkramers en hun stalletjes hing. Met volle teugen snoof hij de indringende en exotische geuren van hun goederen op. Het meest hield hij van de dierenverkopers. Tom kon uren naar hun dieren zitten kijken zonder ook maar een moment van verveling te tonen.
            Vandaag had hij zich nog maar juist op zijn uitverkoren plaatsje gesteld, een mijlsteen die perfect als zitplaats diende waarvan hij het kraam met de uitheemse in het oog kon houden. De jonge Varsen had zich nog maar net neergezet op de korte paal toen verschillende mensen begonnen te schreeuwen. Tom had niet direct in de gaten wat er gebeurde omdat vele mensen kwamen toegelopen om te kijken wat er juist gebeurde.
Pas toen hij links van de groep een klein langwerpige fret zich tussen de benen van de mensen zag ontsnappen, begreep hij de aard van de commotie. Het dier was ontsnapt uit zijn kooi van de dierenverkoper en probeerde zijn plotselinge vrijheid te behouden door zich tussen de benen van de mensen heen een weg te vinden naar buiten.
            Tom kwam in beweging en volgde van op een afstand het diertje terwijl de mensen nog altijd niet hadden gezien dat het fretje zich een weg had gebaand tussen de mensenmassa. Het dier sloeg een hoek om en via een steegje verliet het witte fretje het markplein. De jonge Varsen was nieuwsgierig en volgde heimelijk het ontsnapte diertje.
            Na enkele zijstraten was hij de fret al kwijt. Terwijl hij met zijn in hand in zijn zwarte haardos wreef, keek hij om zich heen. Waar zou die nu gelopen zijn? Plots zag hij een kopje uitsteken uit een portiek aan zijn linkse kant.
            ‘Ha, daar ben je, kleine deugniet.’ Tom liep voorzichtig naar de deur waar hij het diertje had gezien. Deze stond wijd open, maar hij kon niet veel onderscheiden in de halfduistere kamer. Zou hij binnengaan? Het was niet echt beleefd om zonder uitnodiging in iemands huis binnen te dringen. Sommigen zouden het zelf crimineel vinden. Toch won zijn nieuwsgierigheid het van zijn elementaire beleefdheid. Hij kon nog altijd zeggen dat hij de fret aan het zoeken was voor de rechtmatige eigenaar.
            De kamer was vreemd aangekleed met tapijten aan de muren. De meubilering was sober en bestond juist uit een tafel en een paar stoelen. Op de tafel lagen allerlei vreemde kaarten en een aantal kaarsen waarvan de was uitgelopen was op het tafelblad. Aan de verste muur was een deuropening die afgeschermd was met kleurrijke linten. Geen spoor echter van het fretje.
            Tom twijfelde en krabde nogmaals radeloos in zijn haar. ‘Is hier iemand?’ vroeg hij uiteindelijk. Hij hoorde een geluid dat van achter de linten kwam. ‘Hallo,…!’ riep hij nogmaals, luid genoeg omdat de persoon het goed zou horen. Hij wou niet dat men dacht dat hij een inbreker was.
            Na enkele tellen kwam er een meisje door de deur. Zij had zwart krullend halflang haar en haar huid was donker van kleur. Waarschijnlijk was zij afkomstig van de provincie Speloek. Haar kleding was Bovenlands getint. Ze droeg een rode rok en een blauwe bloes en rond haar hals hing een grote rode sjaal. Ze had het fretje in haar armen en streelde het diertje. Vreemd genoeg, gedroeg het dier zich als een tam katje. Blijkbaar vertrouwde de fret het meisje!
            ‘Dag vreemdeling,’ zei het meisje terwijl ze het diertje, die ze in haar handen had op de tafel zette. Het beestje krulde zich en bleef braaf liggen.
‘Kan ik je helpen met iets?’
            Een verraste Tom, struikelde over zijn woorden. ‘Ik wou…ik bedoel…het fretje…ik wil eigenlijk zeggen…ik zocht het fretje dat…het was ontsnapt…en euh…’
Het meisje lachte. ‘Ja, het is niet de eerste keer dat er een dier ontsnapt als het marktdag is. Ze weten mij altijd te vinden. Vind je niet dat het opsluiten van die dieren een misdaad is? Een fret hoort buiten te lopen. Vrij te zijn in de wijde natuur. Zo hoort het toch?’
Ze streelde het diertje nog altijd en het fretje was merkwaardig kalm onder haar aanrakingen. Het probeerde niet meer te ontsnappen. Tom kon bijna zweren dat het zich gedroeg alsof het dier het graag had dat het meisje hem streelde.
            ‘Ik had gezien dat het beestje ontsnapt was en ik wou het terughalen voor de koopman.’ Tom had zijn woorden teruggevonden. De eerste schrik was voorbij. ‘Ik ben Tom Varsen en werk bij de smid als zijn leerling. Woon jij hier?
            Het meisje glimlachte weer. ‘Niet altijd. Ik kom oorspronkelijk uit de stad Mindar in Speloek. Mijn naam is Yila Madrigal. Af en toe kom ik mijn grootmoeder helpen hier in Carpagio. Zij is kruidenvrouw, maar al wat oud en zodoende is ze blij als ik af en toe eens een bezoekje breng en haar wat help.’ Ze stak haar hand uit als wijze van kennismaking.
            Tom wou haar de hand drukken, maar een vonk sprong over van zijn vingers naar de hare als ze bijna elkaar aanraakten. Tom schrok, maar het meisje bekeek hem heel nauwkeurig.
            ‘Schrik niet. Dat heb ik dikwijls met mensen. Af en toe komt het voor dat er een vonk overspringt tussen iemand en mijzelf. Het betekent iets, maar daarvoor zou ik de beenderen moeten werpen. Misschien kan ik te weten komen wat het juist betekent. Zou je dat willen? Wil je de uitleg van de tekenen kennen?
            Hij kende het soort van vrouwen die voor een centje de toekomst lazen. Waarschijnlijk doelde ze daarop en wou ze zijn toekomst lezen. Nou ja, waarom niet, dacht Tom. Misschien kon hij nog een hartelijk lachen. Hij geloofde niet echt in die zaken, maar hij had toch niets anders te doen.
            ‘Ik heb niet veel geld, maar als het niet te duur is…misschien wel!’
            Ze grijnsde. ‘Ik reken je niets aan. Ik zie dat je ook een dierenvriend bent. Het staat geschreven in je ogen. Vandaag zal ik je niets aanrekenen, omdat…nou ja, gewoon omdat ik het wil.’
            Tom was verbaasd. Het gebeurde niet iedere dag dat iemand hem aanbood om zijn toekomst te voorspellen en dan nog voor niets.
            Nadat ze de kaarsen had aangestoken haalde ze uit een van de zakken van haar rok een hoop botjes. Tom bekeek ze even en zag dat het knekels van kleine diertjes waren. Ze schudde ze in haar beide handen en wierp ze met een lichte gooi op tafel.
            ‘Hmm…vreemd.’
            ‘Hoe bedoel je? Is het iets slechts…?’ Tom keek Yila met een ongelovige blik aan. Wat zou ze hem proberen wijs te maken? Hij was nogal sceptisch als het om waarzeggerij ging.       
            Het meisje keek hem even stilzwijgend aan.
            ‘We gaan elkaar nog terugzien in de toekomst, Tom Varsen. We blijven geen onbekenden. Dat staat in de botten geschreven. Je zal een grote reis maken…en euh…,’ ze stopte even met haar uitleg.
            ‘En…wat, wat zag je nog?’ Tom geloofde haar niet, maar wou toch haar uitleg verder horen. Misschien kon hij haar betrappen op een leugen.
            ‘Je neef in Mandragon is ziek. Je ouders zullen je naar hem toe zenden, om zijn ouders wat  te helpen met de boerderij nu hij hen niet kan helpen. Je tocht zal niet zonder gevaren zijn. Let goed op je rug, Tom Varsen. Het gevaar is geen eerlijke speler.’
            ‘Mijn neef Johin Balden, hoe weet jij dat? Hoe weet je waar hij woont? Ken je hem misschien? De laatste keer dat ik hem gezien heb, was hij zo gezond als een vis in stromend water. En hij zou ziek zijn, laat me niet lachen. Ik heb nog nooit zo’n gezonde kerel geweten.’ Tom maakte zich bijna kwaad. Mensen ongerust maken met praatjes die op niets stoelden, dat kon hij niet echt appreciëren.
            Yila wierp opnieuw de stenen.
            ‘Het blijft hetzelfde. Ik kan maar vertellen wat ik zie. Niets meer en niets minder, zo werkt het met de botten.’
            Tom bedankte haar en nam afscheid.
            ‘Geen vaarwel, Tom Varsen, maar tot ziens. Ik heb het gezien en het zal zo zijn.’


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen