maandag 26 januari 2015

Bloeddorst: Hoofdstuk 6




6


            Haar lange bruinrode haar viel als warrelende golven langs haar gezicht en over haar schouders. Ze was heel gewoon gekleed, een sober ensemble in blauw en grijs met daarboven een witte regenmantel. Niettegenstaande haar poging om niet op te vallen, stak ze als een vuurtoren uit tussen al de mensen die de straten van Roskam bevolkten op deze regenachtige dag tijdens de week. Haar ogen hadden een lichtgroene tint maar in het juiste licht zou men zweren dat er een zweem van azuurblauw in te bemerken was. Het kastanjebruine kapsel gaf haar iets wilds en gevaarlijks, een vrouw die moeilijkheden niet uit de weg ging en die van het ene op het andere moment als een wild dier uit de hoek kon komen.
            Mercedes was zich niet bewust van de blikken van menige man, die haar bewonderend nakeek. Zelfs niet van de minachtende en jaloerse blikken van de echtgenoten van sommige onder hen. Haar hoofd stond niet naar die plotselinge interesse in haar verschijning in het straatbeeld van Roskam. Op een ander moment zou ze hen in een paar tellen bewust gemaakt hebben van hun inferioriteit.
            Ze was zeldzaam in haar soort. Magie was haar tweede natuur, maar ’s nacht voelde ze zich pas vrij als ze na een pijnlijke maar verlossende transformatie door de ongetemde natuur kon rennen. Tussen de wolven voelde ze zich volmaakter, gelukkiger. Een wolfheks was niet alleen zeldzaam, het was ook een gevaarlijke kruising. Ze werd geacht maar soms ook gevreesd bij zowel haar menselijke heks equivalent als door de harige viervoeters.
            Haar visioen had haar naar Roskam gebracht. Het was eerst heel onduidelijk geweest. Scherven informatie die ze moeilijk aan elkaar kon lijmen. Een gebroken spiegel waardoor ze een vertekend beeld kreeg van wat er was en wat er nog moest komen. De toekomst was reeds geschreven, niemand wist dit beter dan Mercedes. Zij wist ook dat niemand minder dan zij die toekomst kon herschrijven. Op een of andere plaats iets doen ontsporen of op een ander moment wat laten lukken wat volgens iedereen moest falen. Haar invloed kon het lot van de wereld doen veranderen. Het was een waarheid die zij geleerd had van haar moeder Pandora, de machtigste wolfheks uit de geschiedenis.
            Er mocht echter niet veel verkeerd gaan. Ze had niet alles in handen. Zoveel werkelijkheden, zoveel uitkomsten en zo weinig slaagkans. Het was een wereld verdronken in het bloed en in het vuur geweest, die ze in haar visioen had  gezien. Het was begonnen met de nachtwandelaars, deze vampiers die niet echt tot haar vriendenkring hoorden. Normaal gezien zou ze geen medelijden hebben met hun uitroeiing. Het was een ras die even oud was als het hare, maar zij had als heks macht over haar transformatie. De vampiers waren slaven van hun drang naar bloed, hun oncontroleerbare dorst. Ze had wel respect voor hun kracht en hun overlevingsdrang door de eeuwen heen. Niemand kon zolang bestaan zonder dat hij beschikte over uitzonderlijke eigenschappen.
            Mercedes had de slachting in Roskam van het nest vampiers niet kunnen voorkomen. Ze had het wel gezien. Maar het waren de geesten van verschillende slachtoffers die haar slaap verstoorden met schrikwekkende beelden. Een man die meer was dan zijn verschijning mocht doen geloven, een man waarin een kracht huisde die ouder was dan de aarde, had haar uit haar beschuttende cocon laten komen. Haar huis die onder verschillende spreuken beschermd werd, was haar burcht, een versterkte veste. Van daaruit kon ze veel doen. Maar dit was een uitzondering. Ze moest ter plaatse zien, voelen, ruiken hoe het geweest was. Mercedes moest kunnen constateren dat ze gelijk had. Normaal gezien was ze zelfs wat arrogant als iemand haar gelijk ontkende. Vandaag zou ze nederig en zelfs blij zijn als iemand met zekerheid zou kunnen zeggen dat ze zich vergiste.
            Het duurde niet lang vooraleer ze voelde dat de atmosfeer veranderde. Ze naderde de plek van het onheil. De kracht van de slachting hing nog in de lucht. Vele geesten waren nog niet vertrokken naar de Andere Kant. Zo was het dikwijls bij een bloedige moordpartij. Het was een spanning die ze kon proeven, bijna metaalachtig van smaak, maar dan als een gevoel die haar brein binnensijpelde. Een gewaarwording van angst, vrees voor de vernietigende kracht van deze vijand.
            Ze opende bijna met walging de deur naar het onbewoonde pand. Een walm van kwaad gleed langs haar heen, trok door haar lichaam en deed haar een paar tellen stilstaan alsof de aanraking met de klink haar hele lichaam had doen bevriezen. Haar richtingsgevoel trok haar verder naar de kelder. In haar visioen had ze uiteengescheurde lichamen gezien, bloed dat overdadig vloeide, op de muren open spatte die ze zag in haar dromen. Ze had de schreeuwen gehoord, ze had de woede gevoeld van hij die zich vandaag Vladimir Sango noemde, maar ook de gillen en de kreten van de zieltogende nachtschepsels. Het kleine haartjes op haar armen stonden pijlrecht. Statische elektriciteit deed haar vlammenrode haar uiteenwapperen. Haar ogen gericht op een andere dimensie zagen de schrikwekkende taferelen terug, als een film die zich voor haar ogen afspeelde. Ze kon echter de knop niet omdraaien. Zelfs als ze haar ogen sloot, zag en hoorde ze de dood in al zijn gruwelijke aspecten.
            Mercedes bleef onderaan de trap stil staan en keek uit op het gewelf waar het allemaal gebeurd was. De ruimte in al zijn atomen, in zijn kleinste partikels die rondzweefden in dit duistere oord, trilde nog na van het onmeetbare geweld die er losgelaten was. Voorzichtig hief ze haar armen horizontaal, haar handen open met haar vingers wijd open  gespreid. Het waren twee antennes die alles opvingen wat er nog van het schepsel aanwezig was in de ruimte. Ze ontdekte een stuk zwarte materie die sterker was dan de gevaarlijkste bom die de mens ooit had uitgevonden.
Dit was nog maar een voorproefje en Mercedes wist het. Ze had het voor alle zekerheid nog eens nagekeken in de tekenen. Ze had de theebladeren gelezen en de sterren geraadpleegd, ze had de kaarten gelegd en de dobbelstenen geworpen. Maar alles gaf dezelfde uitkomst. De wereld zou vergaan zoals ze die nu kende, als ze dit op een of andere manier niet kon stoppen.
Het stoorde haar dat ze tegen haar principes zou moeten handelen. Niets was moeilijker dan wat ze nu zou moeten doen. Vampiers waren niet haar aartsvijanden, maar iets in hen stond haar verschrikkelijk tegen. Het was vuur en water. Ze bleven uit elkaars nabijheid omdat ze wisten dat geen van hen beiden goed uit een eventuele strijd zouden komen. Toch zou ze met deze schepsels moeten samenwerken. Ieder ander scenario leidde tot de destructie van alle leven. Ook haar leven!


..........


            ‘Julius, je kan niet iedereen beschermen of rekening houden met elke mogelijke dreiging.’ Diana zag dat haar vriend gespannen was. Nog meer dan anders. Ze hadden iedereen gewaarschuwd, meer konden ze niet doen. Maar Roskam was bij Julius in het verkeerde keelgat geschoten. De leider van deze gemeenschap had de onrustwekkende berichten over de nieuwe vijand naast zich neergelegd. Met alle gevolgen van dien.
            ‘Ik weet het, maar daarom is het niet minder erg. Indien dit het werk was geweest van een menselijke jager zou ik me niet zoveel zorgen maken. Uiteindelijk moeten zij toch altijd het onderspit delven tegen onze superioriteit. De geschiedenis heeft bewezen, dat zij ons niet kunnen uitroeien. Dit is echter een ander geval, Diana. Als iemand tientallen van onze mensen kan doden op een korte tijd, moet hij beschikken over een enorme kracht.’
            Diana kon hier niets tegen in brengen. Julius had gelijk over de ganse lijn. ‘We moeten de voorvallen in kaart brengen. Kijken waar hij of zij toeslaat en of er een logica in de volgorde zit. We zullen moeten denken als de politie. Hebben we iemand die in een vroeger leven bij deze diensten heeft gewerkt?’
            ‘Daar zeg je wat. Goed idee. Ik vraag het Markus. Die moet dit op korte tijd in onze bestanden kunnen vinden. Het bewijst enkel dat ook wij in de 21e eeuw zijn gestapt. Nachtwandelaars die surfen op het internet. Men zou mij dit vroeger, pakweg een eeuw of  twee geleden hebben verteld, ik zou hen voor heksen hebben versleten.’
            Hij voegde de daad bij het woord en maakte een e-mail ter attentie van de secretaris van Dragosj. ‘We kunnen niet bij de pakken blijven zitten. Iedere aanval kost ons een pak slachtoffers en tot nu toe hebben we geen enkel idee wie of wat er ons aanvalt. Laat staan de reden voor deze slachtpartijen. Men heeft ons door de geschiedenis als bloeddorstige monsters beschreven, maar wij doden enkel om te kunnen leven. Niet om het doden alleen. Het lijkt me dat dit wezen niets anders wil dan de verdwijning van onze soort.’
            Markus moet aan zijn computer hebben gezeten. Zij kregen na een paar minuten al een antwoord dat hij er direct werk zou van maken. Julius wist dat hij op hem kon rekenen. Hij was nu niet een van de sterkste mensen in hun organisatie, maar wel een van de slimste. De personen die hij zou voordragen, zouden de beste in hun vak zijn. Zoveel was zeker.
            ‘Ik voel me onrustig, Diana. Misschien zit het allemaal in mijn hoofd, maar het is alsof ik mij bespied voel, sinds die aanslagen gebeuren. Ik voel me niet meer veilig, ’s avonds op straat en toch voel ik mij gedwongen om telkens weer de nacht in te gaan. Op zoek naar die slachter.’
            Diana keek hem aan. Zijn bruine haar zat in de war en zijn ogen zagen er vermoeid uit. ‘Laat ons vanavond samen jagen. Het is al weer een tijdje geleden dat we dit gedaan hebben. Daarbij is het misschien ook veiliger, we kunnen elkaar rugdekking geven bij eventueel gevaar. Wat denk je, is dat geen goed idee?’
            Julius knikte afwezig. ‘Misschien wel. Je hebt gelijk, het zal mijn gedachten wat afleiden en langzaamaan krijg ik toch weer honger. Als we dit creatuur willen bevechten, zullen we sterk moeten staan. We mogen niet vergeten van ons te voeden. Ik weet dat je mij op mijn gemak wilt stellen en ik ben er je dankbaar voor.’ Hij gaf haar een tedere kus op haar bloedrode lippen. Ze voelde echter de spanning in zijn lichaam terwijl ze dicht tegen hem aan leunde.


……….


            Damietta, 6 juni 1249


‘Het zijn ongelovigen. We moeten vechten voor onze God en onze Kerk. Laat jullie leiden door je geloof, laat ons sterk zijn in dienst van de Kerk en onze Paus. Deze honden zijn onze Christelijke steden binnengetrokken en hebben hun waarden opgedrongen. Vreemde gebruiken, het zijn dienaars van de duivel. Jullie zonden zullen je vergeven worden, jullie schulden afgelost voor elke ziel die jullie aan het zwaard rijgen.’
Lodewijk IX van Frankrijk hield een begeesterde toespraak aan zijn mannen vooraleer ze het strand van Damietta zouden betreden om de Egyptische soldaten aan te vallen. Hugo was zichzelf niet. Zijn natuurlijke reacties en handelingen waren sinds de dag voordien veranderd. Toen hij zijn leider hoorde spreken, werd het hem bijna te machtig. Hij zag een rood waas voor zijn ogen. Hij wou bloed zien. Bloed van de ongelovigen.
Toen de schepen de stranden aandeden, was het alsof hij beheerst werd door een woede die uit het diepste van zijn wezen kwam. Een verzengende haat ten opzichte van deze vreemde soldaten die een kamp hadden opgetrokken op het strand van Damietta. Hij was een van de eerste aanvallers die op de ongelovigen in sloeg. Zijn zwaard kliefde als door boter en bracht dood en vernieling met zich mee.
De kracht die uit zijn armen vloeide was niet te beschrijven. Zijn vrienden onder zijn compagnie volgden in de bres die hij om zich heen sloeg. Zijn moed en durf was een aansporing voor hen om in naam van Zijne Heiligheid de Paus en de Heer Jezus Christus de eerste stap te zetten om Jeruzalem te heroveren.
Hugo kende geen onderscheid in zijn slachtpartij. Jonge kerels, amper oud genoeg om een baard te dragen werden met een slag of een stoot van het leven beroofd. Genade werd niet aanvaard of zelfs overwogen. Het bloed vloeide over de kling die menig Egyptische soldaat doorboorde.
Het duurde niet lang vooraleer de troepen de stad verder introkken. Hugo kende zijn eigen naam niet meer, wist niet dat hij onder leiding van Lodewijk IX naar het Heilige land was getrokken voor de zevende kruistocht. Hij doodde zonder onderscheid. Kinderen, vrouwen en oude ongevaarlijke stadsbewoners werden over de kling gejaagd. Hugo had geen tijd om zich te bekommeren om hun smeekbedes.
Een van zijn vrienden probeerde hem tegen te houden toen hij, na de moeder van een zuigeling te hebben gedood, zich richtte op het onschuldige wezentje. Hugo maakte geen onderscheid. Met een luide schreeuw duwde hij zijn zwaard door de buik van zijn vriend die verbaasd kijkend naar de bloedende wonde, op de grond neerstortte. Met een grom schoof hij het zwaard uit de reeds uitpuilend darmen om het met een zwaai te laten neerkomen op het hoofd van het wenende kind.
Een van de Egyptenaren had zich echter weten vrij te vechten en sloeg met zijn kromzwaard in op de nek van Hugo. Het zwaard drong zich door de schouder en sneed de halsslagader van Hugo door.
Nog voor hij zieltogend op neerviel op de grond, was de overgang reeds gebeurd. Het rood van de bloeddorst had zich losgemaakt van de entiteit die zo kort voor omhulsel had gediend. De ogen van de tegenstander van Hugo lichtten op. Een razende blik schitterde in zijn furieuze blik. Het schuim op zijn lippen getuigde van de razernij die hem leidde.
Het was echter een verloren slag. Zelfs de krachtigste tegenstander kon niet op tegen de getallen van de legers van Lodewijk IX. Zonder dat iemand  er iets tegen kon beginnen, baande de Egyptenaar zich een weg naar de achterhoedde, waar hij verdween. Zijn dag zou nog wel komen!

© Rudi J.P. Lejaeghere
26/01/2015


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen