woensdag 25 februari 2015

Requiem: Hoofdstuk 15 (1e deel)









15



            Norino Vastai stond voor de zoveelste keer voor een raadsel. Hij was ’s morgens opgeroepen door de centrale. Nog een slachtoffer van de Akai-moordenaar, zelfde MO of toch niet! Dit was nu al de tweede in het rijtje die géén Akai was. De gemeenschappelijke noemer bij alle gevallen was steeds het feit geweest dat het slachtoffer een lid van de Akai-gemeenschap was. Het was de leidraad geweest waar ze zich bijna met wanhoop aan vast hadden gehouden. Gewoon een vendetta van een seriemoordenaar tegen een vredelievende groep van mensen. En nu,…hijzelf en zijn mensen stonden met de handen in de haren. De som klopte niet meer!
            Hij was zelf al van kindsbeen Akai. Hij zou geen mensenleven nemen als het niet anders kon. Door de jaren heen echter was hij met zoveel zinloos geweld in contact gekomen dat beetje bij beetje zijn geloof in de leer van de Akai aan het wankelen werd gebracht. Er was een kern van kwaad in de wereld, iets dat niet uitgeroeid kon worden met vredelievendheid of een of ander soort rehabilitatie.
            Norino had het gezien in de ogen van moordenaars die hij ondervroeg. Hij had menige keer getwijfeld bij de invrijheidstelling van een gerehabiliteerde misdadiger. Ze waren door een twijfelachtige comité zogenaamd genezen verklaard. De medische verantwoordelijken hadden hen volgespoten met voor hem onbekende genetische middelen die de moorddrift, de aangeboren woede tegen de mensheid die in hun DNA verscholen zat, zou moeten onderdrukken of zelfs vernietigen. Hij geloofde er niet veel van.
            Dikwijls had hij gelijk gekregen en waren de ‘genezen verklaarde gevallen’ hervallen. Recidivisten, daar had hij een hekel aan, maar ook evenveel aan de mensen die deze moordenaars de vrije hand hadden gegeven. Hij had een aantal keren voor de Hoge Raad van de Akai moeten verschijnen omdat hij een paar van deze mensen bij de arrestatie zonder pardon had neergeknald. Het waren steeds gevallen van zelfverdediging geweest, maar de spijt die een Akai zou moeten voelen, het gevoel dat men een stuk leven had vernietigd, had hij niet gevoeld. Wel een lichte voldoening dat er een psychoot minder op de wereld rondliep.
            Nu ook had hij gemengde gevoelens. Als hij ooit dit wezen, dat hij geen mens meer noemde, tegen zou komen en als hij maar één seconde de kans kreeg, hij zou waarschijnlijk geen genade kennen. Genade was voor mensen. Akai of niet, een beenhouwer die zonder scrupules personen in stukjes hakten zag hij niet meer als een mens, zelf niet als een beest. Zo’n wezens moesten met man en macht uitgeroeid worden. Voor zo iemand was er geen plaats op de wereld.
            Zijn tweede adjunct-inspecteur, Goro Fukamizu, was op dit moment het rapport aan het uitschrijven in de databank. Shi, zijn andere adjunct was door de directie tijdelijk op een andere zaak was gezet. Goro was bezig met het dossier te koppelen met de gegevens van de technische dienst en met de verslagen van de patholoog-anatoom Kim Huang.
            Het was jammer, maar de kwaliteiten van Shi waren door de directie ook opgemerkt en Norino dacht dat er gauw een promotie voor zijn pupil in het verschiet lag, misschien wel dat hij de jongste hoofdinspecteur van de veiligheidsdienst werd. Hij gunde het hem van harte al had hij graag gehad dat hij de zaak van de Akai-moorden verder met hem had kunnen opvolgen.
            Goro was een even goede adjunct, alhoewel dan misschien op een andere manier. We waren allen op onze eigen manier uniek en waardevol, dacht Norino. Het was een van de eerste leefregels van de Akai. Hij grijnsde terwijl hij in die context aan de moordenaar dacht. Aan die grijns waren moorddadige gedachten aan verbonden,. Was dit verkeerd?  Hij wist het niet, maar zo voelde hij zich nu eenmaal.    
            ‘Wanneer je klaar bent, Goro, zend de link door naar mijn memoblok, dat die up-to-date is en doe ook nog eens een kruisreferentie naar niet-Akaimoorden maar voor de rest met een gelijkaardige MO van de laatste maanden in de buurt van Tokio en Sanctuary. Oké?’ vroeg de hoofdinspecteur.
            Goro Fukamizu knikte. Hij was een stille kracht, geen grote prater, maar iemand die veel administratief werk in korte tijd kon verzetten. Zijn rapporten waren analytisch van hoogstaande kwaliteit en ontdaan van alle opsmuk die tot niets diende. Als hij dan iets te zeggen had, luisterde je best goed, want meestal was het to the point en het was niet de eerste keer dat hij in een zaak ‘de’ tip had gegeven waarmee ze de zaak tot een goed einde hadden gebracht.
            Norino was geschrokken van het resultaat, toen na enige minuten Goro een sein gaf dat hij de bestanden had bijgewerkt. Goro was heel wat verder teruggegaan dan de laatste maanden, een prijzenswaardig initiatief gezien het resultaat. In de laatste maanden zou hij trouwens geen enkel geval hebben gevonden. In de laatste vijf jaar waren er nog tien andere gevallen van verhakkelde lijken die geen Akai waren, uit de databanken opgedoken. Dat ze niet op hun vorige lijsten voorkwamen was omdat ze buiten de perimeter Tokio/Sanctuary waren gepleegd. Dat zette de hele zaak op zijn kop. Terug naar af! Norino Vastai zuchtte en dacht aan de enkele jaren die hij nog verwijderd was van zijn pensioen. Dat was geen goed teken.



……..



            Gelukkig had ik net op tijd het huisvideosysteem op  pauze kunnen zetten. Stephen March zat met handen voor zijn ogen te trillen als een espenblad. Hij snakte naar adem en zweette als een otter. Toen hij zijn handen van zijn ogen wegnam, zag ik dat hij met wijd opengetrokken ogen angstig en bevend naar het bevroren beeld op het scherm zat te kijken. Ik herkende een paniekaanval wanneer zich die voordeed. Als je ooit zelf in zo’n situatie was geweest, wist je hoe laat het was. Gelukkig had Arturo’s jongere broer de identificatie voor zijn rekening genomen van zijn broer en zijn vrouw Sachiko Matai. Ikzelf had het niet over mijn hart kunnen krijgen. Stephen had niet alleen deze week zijn halfzus verloren, daarbij was hij nog geconfronteerd geweest bij de identificatie met de onvoorstelbare wreedheid van haar doder en daarna kregen we hier van die persoon een bericht door uit het verleden. Een gestoorde boodschap van de moordenaar van Suzy Chang en mijn ouders.
            Stephen March was een vreemde voor mij, maar ik voelde mij een zielsgenoot omdat we beiden slachtoffers, nabestaanden door toedoen van dat moordend beest waren. Daarom zag ik hier geen vreemde voor mij, maar een gekwetste medemens. Mijn Akai-roots vertelden me dat hij op dit moment nood had aan een vriend of vriendin. Iemand waarop hij kon steunen. Gezien ik niet wist wie zijn vrienden waren en ik de enige aanwezige was, nam ik die grote blok schokkend verdriet in mijn armen en begon hem te wiegen en sussende woorden toe te fluisteren. Ik voelde hem trillen als een riet en plots schokte hij een paar keer geluidloos in mijn armen. Ik voelde mijn mouw nat worden van de tranen die hij waarschijnlijk zo lang had ingehouden. Die misplaatste trots van die mannen toch! Het duurde zeker een twintigtal minuten vooraleer hij iets rustiger werd.
            Kort na de moord op mijn ouders had ik een tijd tranquillizers moeten nemen. Ik wist door wat een hel hij ging. Gelukkig had ik deze pilletjes, niettegenstaande ik ze niet meer gebruikte toch nog bij mij, enkel voor noodgevallen. Als dit geen noodgeval was, dan wist ik het ook niet meer? Ik fluisterde hem verder troostende woorden toe, waarschijnlijk af en toe gemengd met woorden in mijn eigen moedertaal, maar het was de klank die ertoe deed. Ik duwde hem het kleine pilletje in de palm en hij slikte het gelukkig gehoorzaam en zonder tegenspraak in. Na een kwartiertje voelde ik reeds verandering.
            De divan was de perfecte plaats waar hij wat tot zijn positieven kon komen. Hij sliep zelf even in. Ondertussen belde ik Ji Lang en Eagle Eye op en vroeg hen om hulp. Eagle Eye zei dat hij misschien wel een oplossing voor mijn probleem had. Enkel en alleen als Stephen mee wou werken en dat was in zijn toestand niet zeker.
            Het scherm van het huisvideosysteem toonde een persoon die een wijd gewaad over zich had. Twee gaten in het witte doek toonden koelbloedige ogen. Misschien was het inbeelding maar het leek of die ogen wreedaardig tegen de camera lachten. Zijn witte kleed was hier en daar rood gekleurd. Rechts achter de man op de achtergrond zag men een stoel staan waarop een vrouw was vastgebonden. Een Japanse vrouw met zwart lang haar en een massa bloederige snijwonden. Een vrouw die gekneveld in paniek met uitpuilende ogen de waarheid wist. Zij zou niet lang meer leven. De vrouw, Suzy Chang, Stephens halfzus was naakt en het bloed vloeide uit tientallen wonden in stroompjes over haar lichaam. Ze was ten dode opgeschreven en Stephen had dit nooit mogen zien!
            Arme drommel, dacht ik, terwijl mijn woede en haat ten opzichte van de moordenaar exponentieel groeide. Bij alle Goden, als jullie bestaan, laat mij deze persoon zo vlug mogelijk naar de hel zenden…als die bestaat. Eigenlijk is de hel nog te goed voor hem! Hoe kon een mens een medemens zo’n wreedheden aandoen? Het was niet te begrijpen. Toch hoopte ik dat dit filmpje ons dichter bij dat beest zou brengen, hoe hard en hoe moeilijk het ook zou zijn om deze beelden te bekijken. Ik hoopte dat Eagle Eye Stephen zo zou kunnen helpen en dat hij met ons zou kunnen meewerken. We zouden zeker zijn diplomatieke connecties nodig hebben om meer te weten te komen.

            Ik had het videosysteem uitgezet en de videostick op het tafeltje gelegd dat voor de divan stond waar Stephen op lag. Hij was terug wakker en wat verward. Met momenten keek hij naar het zwarte scherm en naar de videostick op het tafeltje, maar hij was gelukkig heel wat kalmer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen