zaterdag 7 februari 2015

Steen: Hoofdstuk 7


7


            Karel Steen had niet alleen veel macht en invloed in Carpagio maar ook buiten de grenzen van de stad. Zijn naam was gekend in gans Boven-  en Benedenland en werd soms met ontzag maar meestal met vrees uitgesproken. Zijn wreedheid en onberekenbaarheid was hem vooruitgesneld en niemand wou de aandacht van de troonpretendent op zich vestigen. Het risico om hem te vijand te maken was te groot.
            Het was daarom ook niet te verwonderen zijn dringend verzoek om de beste aardrijkskundigen uit de streek bij hem te brengen, direct beantwoord werd uit angst voor represailles bij een weigering. De wetenschappers werden in groep voor Karel Steen gebracht.
Onderling hadden deze wijze heren besloten om Meester Filiander Mercandor aan te stellen als hun woordvoerder. Hij was niet alleen de oudste, maar ook de meest ervaren en bereisde man onder hen. Dat hij tevens van adel was had ook wel enigszins meegeteld in hun beslissing. Meester Mercandor was al heel oud en moest zich bedienen van een wandelstok om zijn reumatisch lichaam te ondersteunen als hij liep. Zijn lange witgrijze haar viel in golven lang zijn mager langwerpig gezicht. Hij was gekleed in de zware fluwelen rode mantel van een Meester en op zijn hoofd stond de platte professorsbonnet met een kleurige pauwenpluim. Een teken van zijn kunde en meesterschap. Hij droeg ook het zegel van de stad Carpagio rond zijn nek, een geschenk van de stadsraad voor jarenlange diensten.
De eerbiedwaardige geleerde schreed langzaam vooruit uit de groep tot hij voor de zetel stond waar Karel Steen op gezeten was. Niettegenstaande hij niet goed te been was, probeerde Filiander Mercandor zijn Heer met een nederige buiging te groeten. ‘Monseigneur, mag ik u in naam van onze groep onze hoogachting en onze diensten aanbieden. Waarmee hadden wij Monseigneur vandaag plezier kunnen doen?’
Karel Steen was niet onder de indruk van de intocht van de geleerden. Wat half doorgezakt in zijn zetel, was hij met een jachtmes zijn vingernagels aan het reinigen. Hij bood de oude man geen stoel aan, wat onder de regering van Koning Konrad wel zo zou zijn geweest. Zijn ongeduld en minachting was op zijn gezicht te lezen, toen hij met een plotselinge beweging het jachtmes in de leuning van zijn zetel met een harde slag vastpinde.
Alle aardrijkskundigen sloegen hun ogen neer, bang voor zijn eventuele woede. Meester Mercandor verroerde geen vin, maar sloeg ook zijn ogen niet neer. Integendeel, de nieuwsgierige blik op zijn gezicht had plaatsgemaakt voor een gevaarlijke flikkering en zijn lippen werden een fijne streep terwijl hij uitdagend zijn kin vooruit stak.
‘U moet me vergeven, Monseigneur,’sprak hij onuitgenodigd, ‘maar met de jaren hoor ik niet meer zo goed. U wou onze deskundige hulp vragen over iets? Wij zullen…zoals wij vroeger ook voor uw oom hebben gedaan…u zo goed mogelijk van raad dienen. Had u de vraag al gesteld of heb ik het met mijn oude oren weer niet gehoord?’ De Meester hield nu zijn vrije hand naast zijn oor terwijl hij recht en onbevreesd in de ogen van Karel Steen keek.
De jonge prins neep zijn ogen en fronste even verbaasd zijn wenkbrauwen om deze vraag. Was deze ouderling met hem aan het lachen of was hij werkelijk potdoof? Hij schudde de vragen uit zijn hoofd weg met een korte beweging. ‘Ik heb jullie hier ontboden om jullie kennis van de geografie van onze streken van Boven- en Benedenland. Voor het heil van ons Koninkrijk en het voortbestaan van het Geslacht Steen zou ik moeten weten waar een bepaalde streek zich bevindt, Meester Filiander.’
De Meester was nog niet klaar met zijn vertoning. ‘Ik begrijp u niet goed, Monseigneur, vergeef me. Een streek bevindt zich altijd ter plaatse waar het zich anders altijd situeert. Ik heb nog nooit gehoord van een reizende streek.’ De oude geleerde keek wat verbaasd naar Karel Steen en hoorde op de achtergrond zijn collega’s naar adem snakken. De flikkering in zijn ogen had plaatsgemaakt voor kleine lachlichtjes.
Karel Steen sprong recht uit zijn zetel en schopte een van de kussens die in zijn nabijheid lag een aantal meter de kamer in. ‘Weet je plaats, Meester! Ik duld geen spot, zelfs niet van een oude eerbiedwaardige grijsaard.’
Meester Mercandor wist dat hij ver genoeg was geweest, dat hij nu moest inbinden. Misschien dat zijn naam en faam wel zou vermijden dat hij een van de mysterieuze vermiste personen werd die met Karel Steen in contact kwam, maar hij wou toch nog wat van zijn laatste jaren van zijn leven genieten. Als die jongeling met de juiste mensen sprak, konden ze hem royeren uit de Gilde. Niettegenstaande hij zich niet wou laten imponeren door Karel Steen, wist hij uit ervaring hoe ver hij mocht gaan. ‘Wij luisteren naar uw verdere uitleg, Monseigneur en hopen u te kunnen helpen.’
‘Hebben jullie, op jullie reizen, al eens gehoord van een rots in het water van de Grote Oceaan die op een zeehond gelijkt?’ Hij haalde een papier uit zijn wambuis waarop een tekening stond die Joeri Marten, de tovenaarsleerling hem had gegeven. ‘De rots zou er ongeveer moeten uit zien als op deze schets.’ Hij gaf het papier door aan de Meester die op zijn beurt de tekening samen met zijn confraters bekeek.
Een geroezemoes van kibbelende stemmen vulde de kamer. De een vond dat de rots meer weg had van een kind die aan het spelen was, de andere vond dat ze meer de vorm had van een vrouw. Blijkbaar kwam men niet tot een vergelijk, waarop Meester Filiander zich terug tot Karel Steen wendde. ‘Monseigneur, wij kunnen dit op het eerste zicht niet thuiswijzen. Ik stel voor dat we onze kaarten en verzameling schetsen van de landschappen bekijken en onderzoeken. Mag ik vragen in welke context dat u deze rots zoekt?’
De prins was ondertussen weer op zijn zetel gaan zitten. ‘Neen, dat mag u niet,’ was zijn korte en bitsige antwoord. ‘Het enige dat ik moet weten is waar ik die rots kan vinden. Hoelang hebt u nodig om mij een antwoord op deze vraag te bezorgen? Het is uiterst dringend. Goede informatie zal beloond worden, dat spreekt vanzelf. In het tegenovergestelde geval…’ Hij maakte zijn zin niet af, maar trok het jachtmes terug uit de leuning. Meer uitleg hadden de geleerden niet nodig. Na de belofte om ’s anderendaags de prins van antwoord te dienen, trok de delegatie aardrijkskundigen zich terug om dringend werk te maken van het prinselijk verzoek.


……….


            Tom Varsen was blij dat hij gezelschap had. Jul Branden was natuurlijk heel wat ouder dan hijzelf, maar de man kon met zo’n jeugdig enthousiasme vertellen over zijn reizen, dat Tom vergat dat Jul zijn vader kon zijn qua ouderdom. Meestal hield Tom zich op de vlakte als een volwassene in zijn gezelschap was. Zijn nieuwe reisgezel was echter zo speciaal dat hij deze keer honderduit over zijn vader Imor en zijn overleden moeder Elisa vertelde, alsof Jul een ver familielid was die hij al jaren niet meer had gezien.
            ‘Het is goed voor een jonge kerel dat hij zijn ouders eert,’ antwoordde Jul. ‘Liefst nog voor ze er niet meer zijn,’ voegde hij er wijs aan toe. ‘Familie is belangrijk, het zijn onze wortels die ons aan onze grond verbinden. We weten door hen, waar we bij horen en het is door de wederzijdse liefde dat we onszelf kunnen ontplooien.’ Jul staarde na deze woorden wat voor zich uit. Klaarblijkelijk was hij plots met zijn gedachten op een geheel andere plaats.
            ‘Ben je in alle provincies geweest, Jul?’ De zoveelste vraag die Tom op Jul Branden afvuurde. De jongeman was nieuwsgierig naar de reiservaringen van zijn oudere metgezel. Voor hem was deze reis iets heel speciaals, voor de eerste keer zo ver reizen, zonder dat zijn vader hem vergezelde.
            ‘Ik vertel je later op onze reis, misschien deze avond zelfs al, wat je allemaal kan verwachten op onze tocht. Maar eerst moeten we hier afstappen en onze paarden door deze rotsmassa begeleiden. Ik weet een pad, maar we moeten voorzichtig zijn, dat onze paarden zich niet verwonden.’
            Tom sprong van Branco, zijn paard en volgde Jul op de voet die zijn merrie June voorzichtig aan de hand verder leidde. Het pad ging eerst iets omhoog, maar zou verder weer dalen en dat was het moeilijkste stuk voor de dieren. Het was heel gauw gebeurd dat zij een misstap maakten en een van hun poten bezeerden. Zonder rijdier zou de reis heel wat hachelijker en vooral langer worden . Het was moeilijk voor Tom om zijn vurige hengst Branco in bedwang te houden, maar hij fluisterde hem regelmatig zachte woorden toe om hem gerust te stellen.
            Jul knikte waarderend toen hij Tom bezig zag met Branco. Een man die goed voor zijn rijdier zorgt kan nooit volledig slecht zijn, dacht hij terwijl hij uitkeek voor verraderlijke spleten in het rotsdek. ‘Nu wat trager, Tom,’ waarschuwde hij de jongen, ‘als we hier heelhuids door geraken is het ergste van dit pad voorbij. Zowel Branco als June gedroegen zich voorbeeldig en in geen tijd waren ze beneden de kleine helling.
            Nog voor Jul of Tom haar had gezien, was de onrust bij de paarden een teken dat er iets op hun weg wachtte. Het was enkel maar een oud vrouwtje die langs de kant van de weg wat zat te rusten. Naast haar stond een zak met kreupelhout. Blijkbaar had zij juist wat hout gesprokkeld om ’s avonds wat vuur te stoken. Ze droeg een versleten grijs kleed en dat was eigenaardig te noemen. Wie kleedde zich nu in deze doffe saaie kleur? Je kon niet eens zien aan haar klederdracht waar ze vandaan kwam. Ze waren nu al een tijdje over de grens van Westoord met Kondor, dus hadden ze kans blauw of rood te zien of een van de variaties hierop, maar deze vrouw konden ze niet thuiswijzen.
            ‘Dag moedertje,’ groette Jul haar, even met zijn hand tegen zijn hoofd tikkend. ‘Ben je niet bang van de Buldra, zo alleen op stap zonder iemand om je te beschermen?’
De vrouw stond moeizaam op. Haar gezicht was doorsneden met rimpels, maar haar ogen stonden nog heel levendig. Ze waren even grijs als haar klederdracht. Met haar handen die krom stonden van de ouderdom, wreef ze even over haar rokken om wat gras die was blijven hangen af te vegen. Niettegenstaande ze tegen de zon in keek, beschermde ze haar ogen niet. Haar zicht was waarschijnlijk niet meer zo goed en staar was een veel voorkomende ziekte bij oudere mensen.
‘Mijn naam is Jul Branden, moedertje, en dit is Tom Varsen. Wij zijn op weg naar Mandregon. Met wie hebben wij de eer.’ Het klonk heel voornaam.
‘Jul Branden en Tom Varsen hé. Wel jullie komen als geroepen. Ik heb juist een klusje voor jullie die ik zelf met mijn oude knoken niet meer kan doen. Als je me helpt heb je vanavond een dak boven je hoofd. Ik ben Moira Goudvoet, wat zeg je op mijn voorstel?’
Ze keken beide even naar elkaar. Jul was gewoon om buiten te slapen, maar binnen slapen was toch nog altijd comfortabeler dan onder de blote hemel. ‘Goed, Moira, je hebt juist twee helpers gekregen. Wat kunnen we voor je doen?’
Het oude vrouwtje was blijkbaar tevreden met hun besluit. ‘Prachtig, dat is heel vriendelijk van jullie. Mijn dak moet wat hersteld worden, als het straks regent heb ik niet genoeg potten en pannen meer om onder de gaten te zetten. Ikzelf kan niet meer het dak op, veel te gevaarlijk om iets te breken.’
‘Oké, daar gaan we iets aan doen, moedertje. Ik wist niet dat er hier een huisje stond. Het is al wel een tijdje geleden dat ik hier gepasseerd ben, en ik reis ook niet altijd langs dezelfde weg, zou te saai worden.’
Moira keek hem even aan. ‘Ik woon hier al mijn hele leven, dus je zal per toeval nooit langs mijn huisje zijn gereden. Ik zou me je wel herinneren, Jul Branden van Kondor. Ja, dat zie ik nog wel met mijn oude ogen, jij draagt de kleuren van onze provincie. Ikzelf loop niet zo op met me in kleuren te hullen, veel te opvallend. Ben al een oude vrouw en ik heb alle kleuren hier rond mij in Moeder Natuur. Dat is voor mij voldoende.’
Jul en Tom volgden het oude vrouwtje die voor haar ouderdom nog redelijk fit was. Na een klein half uurtje langs kleine paadjes, door struikgewas en door een klein bosje te zijn gelopen, kwamen ze aan een klein hutje met een strooien dak. Jul, die oog had voor zo’n dingen, zag dat het dak inderdaad een opknapbeurt kon gebruiken.
‘We zullen dat varkentje een wassen, Moira Goudvoet. Zeg ons waar we de werktuigen kunnen vinden en het stro. Tom en ik zorgen dat je bij de volgende regen droog blijft.’


© Rudi J.P. Lejaeghere 07/02/2015

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen