zondag 22 maart 2015

Bloeddorst: Hoofdstuk 10


10


            Marcel Thibodaux kromde zijn rug. In het licht van de volle maan en afgeschermd van de bewoonde wereld door een bos bomen, voelde hij de kracht van de transformatie. Pijnloos was het niet, allesbehalve. Hij voelde tot in het diepste van zijn wezen dat zijn bottenstructuur veranderde. Zijn handen en voeten vloeiden uit en werden smaller, zijn spieren pasten zich aan, terwijl hij kreunde en zijn lichaam probeerde de scheurende uitrekking te verwerken. Hij voelde zijn zintuigen aanscherpen. Hij rook zijn omgeving alsof het een dampende stoofschotel was die pas was opgediend. Hij hoorde de eekhoorn vluchten in de eik rechts van hem, hij zag de uil over de open plek zweven en een muis mee klauwen, die piepte en krijste in doodsangst. Onbewust klauwde hij met voorpoten in de grond.
            Toen de verandering volledig was, stak hij voorzichtig zijn snuit in de lucht. Hij kon zijn soortgenoten ruiken. Het spoor was sterk en opwindend, het had iets seksueels, iets dat hem opwond. Hij kreeg een onweerstaanbare drang, toen zijn blik zich richtte op de maan en de kreet die hij uit zijn keel wou persen kwam er uit als de huil van de wolf die hij nu was. De bruinrode kleur van zijn pels blonk in het jonge maanlicht. Zijn gevoelig gehoor ving een antwoord op. Witte Bliksem en Eenoog hadden zich met hun achterban verzameld aan de voet van de Dodemansheuvel. Hij snoof de geur van de nacht op en gromde even zijn tanden bloot. Het voelde goed en alle beslommeringen van de voorbije dag, vielen als een dode huid van zijn lichaam. Terwijl hij tussen de bomen en struiken rende, voelde hij zich vrij. Vrij van de beperkingen van zijn menselijke gestalte, onttrokken aan de beperkingen dat dit lichaam stelde. Straks zou hij neus aan neus staan met zijn echte zielsgenoten. Hij zou hun geur opsnuiven en zijn territorium afbakenen met een spoor van zijn urine. Hij vreesde niemand en iedereen die zijn naam kende, zei dat Rode Tand de gevaarlijkste weerwolf was in Noordelijk Europa. Zelfs zijn dierlijke soortgenoten vreesden zijn tanden, die scherper en groter waren dan het gevaarlijkste roofdier die in deze streken te vinden was.
            ‘Ik kom, Eenoog, Witte Bliksem. Houd een plaatsje vrij op de flank van Dodemansheuvel. We zullen samen rennen onder de volle maan vanavond en als het geluk ons meezit, zullen we drinken van het bloed van dezelfde ree die we zullen doden.’
            In plaats van een antwoord, hoorde hij plotseling het angstig kloppen van de wolvenharten in de verte. Verrast en verbaasd stopte hij midden in zijn ren. In zijn snelheid schoof hij nog wat uit op de natte bladeren. Iets was verkeerd. Normaal gezien zou hij de jonge stem van Witte Bliksem horen die hem zou uitdagen voor de jacht, arrogant zoals de jonge wolf nu eenmaal was. Of de verzoenende stem van Eenoog die zou oproepen om voorzichtigheid met de ervaring die de oude wolf in zich had.
            Nu hoorde hij enkel het roffelend geluid van de paniek, hij voelde de verrassing en de ontzetting over wat er gebeurde. Maar na een paar minuten stierf zelfs dit geluid uit. De stilte was volledig en onheilspellend. Een wolk trok voor de maan, een teken aan de wand. Hij hoorde de angst in zijn eigen keel kloppen in het verhoogde ritme van zijn hartslag. Rode Tand begon te rennen zoals hij nooit had gedaan. Hij voelde de schrammen van de doornige struiken die langs zijn gespierde lichaam scheurden. Het kraken van dode twijgen die door zijn snelheid in het rond vlogen. Hij kon zich niet inbeelden wat er gebeurd was, maar zijn instinct zei hem, dat hij het ergste mocht verwachten.
            Tien minuten later stond hij aan de voet van Dodemansheuvel en aanschouwde het slagveld. Niets bewoog nog. Uit de opgereten lijven van zijn soortgenoten dampte het nog warme bloed uit hun opengescheurde buiken in de koude nacht. Sommige kon hij gewoon niet meer herkennen omdat ze in zoveel stukken waren, dat zelfs een familielid ze niet meer zou kunnen identificeren. Na een paar passen zag hij Eenoog liggen. De beste adjudant die hij ooit had gehad. Een weerwolf van de eerste generatie die ooit een oog had verloren aan het gevecht om de leiding van de roedel. Een gevecht dat Rode Tand had gewonnen. Eenoog had nooit wrok gekoesterd, integendeel, hij had zich volgens de regels volledig onderworpen aan de uitkomst van het gevecht. Wat verder zag hij de resten van Witte Bliksem. Zijn witte vacht was besmeurd met zijn eigen bloed, dat donker kleurde in het licht van de maan. Het vlies van de dood lag reeds op zijn open ogen. De beelden van de slachting waren messcherp en sneden wonden in zijn geheugen, waar ze geëtst waren voor zo lang hij ook maar zou leven.
            Hij telde op zijn minst dertig slachtoffers. Juist kon hij het niet zeggen, vanwege de vele uiteengescheurde lichamen. De nacht zou lang worden. Hij wist dat hij hiervan de sporen zou moeten uitwissen. De sterfelijken zouden hiervan iets maken wat het niet was, wanneer de lichamen terug zouden transformeren. Hij zou zo vlug mogelijk om hulp moeten rennen. Nadat hij met deze hulp de laatste eer aan zijn vrienden zou hebben bewezen, zou de weerwolvengemeenschap van Roskam dringend moeten samenzitten en besluiten wat er gedaan moest worden. Dit mocht niet meer gebeuren. Nooit meer!



……….


            Na de vergadering die Dragosj samen had geroepen, hadden Julius en Diana, Mercedes uitgenodigd om in hun huis te verblijven. Zolang ze niet wisten hoe ze zouden reageren tegen hun gemeenschappelijke vijand, zou het verstandig zijn om in elkaars buurt te blijven. Niet alleen om elkaar te beschermen maar ook om zo vlug mogelijk te kunnen reageren op iedere gebeurtenis.
            ‘Ik wil jullie niet tot last zijn,’ sprak Mercedes toen ze aankwam in de ondergrondse schuilplaats van Julius en Diana. ‘Ik weet dat voor jullie moeilijk moet zijn. Het is voor mij ook niet gemakkelijk om…mijn natuurlijke instincten tegen te spreken.’ Ze had waarschijnlijk iets ander willen zeggen, maar omwille van de vrede had ze zich tactvol uitgedrukt.
            ‘Geen probleem, Mercedes,’ antwoordde Julius, ‘we hebben hier plaats genoeg en ik veronderstel dat we hier veilig zijn. Alhoewel veilig een relatief begrip is de laatste tijd.’
            Diana was, ondanks het feit dat ze begreep dat Mercedes best bij hen verbleef, wat minder verheugd met haar gezelschap. ‘Ik heb nog een extra slaapkist staan als je dat verkiest,’ probeerde ze wat sarcastisch. Het feit dat Mercedes een wolfheks én een vrouw was, speelde een grote rol in haar gevoelens ten opzichte van haar. Zij had de blikken van Julius gezien tijdens de vergadering en ze wist genoeg. Niet dat Julius iets zou proberen, maar de gedachte alleen maakte haar kregelig.
            ‘Wat eet je het liefst? Bloedworst, bloedbrood of een lekker bloedpapje. Ik kan het je echt aanbevelen.’
            Julius zwaaide even vertwijfelend met zijn hand naar zijn gezellin. ‘Diana, als we hier een aantal dagen van elkaars gezelschap zullen moeten genieten, denk ik niet dat dit de juiste toon is om aan te slaan. Laten we onze energie gebruiken om een oplossing te zoeken voor ons probleem. Mercedes, kunnen we op een of andere manier uitvinden waar die tweede doos van Pandora terecht is gekomen?’
            Mercedes zuchtte. ‘Er zijn een aantal personen die misschien iets meer weten, maar of die het ons willen zeggen is een andere zaak. Ik ken een paar Mantike’s, dat zijn voorspellers. Die zijn niet zo nauwkeurig en ze houden niet van onze soort, als je begrijpt wat ik bedoel. Je hebt dan nog een aantal Orakels, maar die spreken in zo’n vreemde taal, dat je toch wat tijd nodig hebt om hun aanwijzingen te doorgronden. Het zijn allemaal mogelijkheden. Oh, ja, ik denk plotseling nog aan iets. Er is natuurlijk Het Water van de Verloren Zuchten.’
            ‘Het Water van de Verloren Zuchten? Wie heeft die naam uitgevonden? Wat doet dat water voor speciaals dat het ons in deze zaak enigszins kan helpen?’ Diana was uiterst sceptisch over de voorstellen van Mercedes en dat hoorde Julius ook in haar reactie. De ironische toon in haar woorden was duidelijk merkbaar.
            ‘Ik weet het ook niet. Ooit heb ik er iets over gelezen in geschriften die mijn moeder mij heeft nagelaten. Ik weet niet waar het zich bevindt, maar volgens de documenten in mijn bezit zou dit water een paar dagen in het jaar speciale eigenschappen hebben.’
            ‘Hoe bedoel je?’ Julius die minder kattig reageerde dan Diana wou toch iets meer van dit bovennatuurlijk verschijnsel horen.
            ‘De Verloren Zuchten duiden op dingen die verloren zijn gegaan. Het water spiegelt je een beeld van de plaats of het middel om die dingen terug te vinden. Zelfs indien we weten waar dit speciale water zich bevindt, blijft het nog altijd raden wat het betekent. Aan de andere kant zeggen beelden misschien iets meer dan geheimzinnige woorden.’
            Diana was iets afgekoeld en begon te beseffen dat haar houding niet echt meewerkte om tot een oplossing te komen. ‘Heb je die geschriften bij? Misschien kunnen we de koppen samen steken en kijken of we de plaats vinden waar we onze eigen verzuchting kunnen laten horen.’
            ‘Ik ga nooit zonder mijn moeders boek op stap. Ik haal het even uit mijn bagage en dan kan je zelf de passages lezen waar ze het over deze bron heeft.’
            Mercedes haastte zich naar haar slaapkamer om het boek te halen. Ondertussen maakte Diana gebruik om haar opgekropte gevoelens wat te ventileren. ‘Als ik haar zo bezig hoor, dan kan ik zelf niet anders dan zuchten, wie gelooft nog in deze oude voorspellingen. We leven in de 21e eeuw!’
            ‘Schat,’ zei Julius op een vermoeide toon, ‘wie van de stervelingen gelooft er in nachtwandelaars of wolf-heksen als je een enquête zou doen? Juist, niemand en ik denk nochtans dat we echt bestaan. Deze morgen als ik in mijn armen kneep, deed het nog altijd pijn. Dus ik ben praktisch zeker dat ik geen droom ben.’
            Diana’s ogen flikkerden. ‘Je hebt je punt gemaakt, Julius. Je hebt natuurlijk gelijk, maar je moet niet overdrijven. Van het moment dat dit wolf-heks-vrouw-wezen je probeert te charmeren of maar iets te dicht bij je komt, rijt ik haar keel open en drink ik haar bloed.’
            Mercedes die juist de kamer weer binnen kwam, keek hen met een grijns op haar gezicht aan. ‘Heb ik het goed gehoord, had er iemand dorst?’


……….



            Vanuit een plaats hoger op de heuvel had Vladimir Sango de aankomst van de eenzame rode wolf gezien. Zijn dorst was gelest, anders had hij dit beest ook aangevallen. Het was goed dat er iemand getuige was van het bloedbad dat hij had aangericht. Iemand moest kunnen vertellen over zijn daden. De angst die zou regeren, was een van de dingen die zou meehelpen aan het creëren van een nieuw klimaat. Een klimaat van onzekerheid, een sfeer dat ieder nachtwezen over zijn schouder zou doen kijken. Het zou echter niet baten, zij waren geen partij voor zijn overmacht. Straks, als hij de laatste doos van Pandora zou hebben, nog minder.
            Hij zag de wolf door het slagveld zoeken. Het beest bleef bij een aantal van de slachtoffers staan, porde met zijn snuit in hun overschotten. Uiteindelijk huilde de wolf naar de maan, een onheilspellend geluid dat echter geen effect had bij Vladimir Sango. Dit geluid was als muziek in zijn oren. Het verdriet en de woede die er in door klonk voedde het vuur dat binnen in zijn lichaam brandde. Hij rook van uit zijn schuilplaats de geur van het bloed aan de voet van de heuvel. Dodemansheuvel, een mooie naam, maar vanaf vandaag zou het beter Dode Wolfsheuvel heetten.
            Vladimir Sango had sinds hij de identiteit van Daniël Ainsworth had overgenomen, zich kunnen wentelen in het bloed van zijn vijanden. De nachtwandelaars waren zich nu wel bewust van zijn aanwezigheid. Vandaag zou de weerwolvengemeenschap met vrees spreken over wat er gebeurd was. De vele slachtoffers zouden de vrees wakker houden bij deze verachtelijke wezens.
            Hij had weinig kunnen maken uit de woorden van Pitja, het Orakel. Zijn woede omtrent haar verdwijning uit haar hol en de ondermijning van zijn bedoeling om haar leven te beëindigen, was verdwenen. Hij herinnerde zich woord voor woord haar geheimzinnige antwoord.

De doos is er om zo te zien en weg te nemen en toch kan je het niet. Wie het toch probeert zal getroffen worden door een storm van geluiden en ingesloten worden. Ze ligt begraven onder in een piramide, die men opent met een vreemde spreuk en daar zal je de doos vinden die je zoekt.’

            Zijn herinneringen die eeuwen teruggingen, spraken van een eenzame kluizenaar in de bergen. Iemand die vele geheimen kende, die ooit zijn ziel had verkocht aan de duivel om eeuwig te mogen leven. Voor zover zijn inlichtingen juist waren, bestond deze solitair nog altijd. Misschien kon hij iets doen met de mysterieuze woorden van Pitja. Het voordeel van zovele identiteiten bezit te hebben was dat hij beschikte over een immens geheugen. De spreekwoordelijke speld in de hooiberg kon hij gemakkelijk vinden, op zijn minst als hij wist waar de hooiberg zich bevond. Hij had plots zin om een reisje te maken naar de Pyreneeën.

© Rudi J.P. Lejaeghere
22/03/2015

            

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen