vrijdag 10 april 2015

Requiem: Hoofdstuk 18 (2e deel)














……..



            Hij was uit zijn eerste slaap gewekt. Als wetenschapper was hij beslist een overtuigde gelovige van vooruitgang op gebied van de wetenschap en hij promootte als eerste iedere bruikbare nieuwe technologie. Maar sommige speeltjes vond hij, waren toch uitgevonden om het slechtste uit de mens te halen. Vooral midden in de nacht. Met een zucht haalde hij het minuscule toestelletje uit zijn rechteroor en kroop uit zijn warme bed. Het gadget was verbonden met zijn mailbox en had hem zojuist een breinpuls gegeven waardoor hij verward wakker werd.
            Philip Collins, een logge vijftiger in een streepjespyjama liep wankelend naar zijn bureau waar zijn touchpad de mail projecteerde van de senator die zojuist was toegekomen. Dat werd helaas weer nachtwerk vermoedde hij, maar toen hij de tekst las fronste hij toch bezorgd de wenkbrauwen.
            Gelukkig, dacht hij bij zichzelf, had hij de goede eigenschap of was het een slechte – hij wist het ook niet – om na een hazenslaapje direct te kunnen functioneren. Hij sprong zo vlug als zijn half slaperige toestand het hem toestond uit zijn pyjama, trok zijn hemd over zijn hoofd en sprong half struikelend in zijn broek. Sokken en schoenen en nog even een kam door zijn dunnende grijze haar trekken en zijn witte jas vanuit  de ingebouwde vestibule aantrekken en hij spoedde zich, nu klaar wakker naar het laboratorium in de Kelder. Hij keek op zijn uurwerk. Hij had het in minder dan tien minuten geklaard.
            ‘Hoi,’ groette hij kort zijn collega Jim die verbaasd van zijn scherm opkeek toen Collins het lab binnenstormde met een half open laboratoriumjas en zijn hemd nog met een tip uit zijn broek hangend en zijn gulp open. Philip kwam direct tot de kwestie. ‘Problemen met Michael. We zijn de controle over hem aan het verliezen, beweert de senator. Kan je mij een gedetailleerde database maken van hersenscans, EEG’s en evolutiediagrammen van de groei van de neurieten en de werking van de neurotransmitters in de synaps van ons wonderkind. ASAP als het even kan!’              
            ‘Ja, ook een goedenavond, Phil.’ De roodharige Jim McFinster was niet verwonderd dat hij nog op zo’n middernachtelijk uur bezoek kreeg van Collins. Het was niet de eerste keer en het zou waarschijnlijk ook niet de laatste keer zijn. Maar de paniekerige toestand waarin hij verkeerde, betekende niet veel goeds. Hij wees even op de spiegelvenster in de ruimte, waarin Phil zichzelf zag weerspiegeld. Collins werd even zo rood als het haar van zijn collega en trok gelukkig zonder gevolgen met masochistische neigingen zijn ritssluiting toe,.
            Jim McFinster was in tweede fase, na de relocatie van Michael, bij het project gekomen. Hij was net als Philip gedoctoreerd in de biogenetica. Hun specialiteiten situeerden zich op diverse niveaus. Het werkgebied van Jim McFinster speelde zich af op het cel - en gen niveau en dit vooral toegepast op  het brein van de mens. Philip Collins, had naast zijn doctoraat in de biogenetica ook nog enkele hoogstaande bijscholingen gekregen op het gebied van de neurologie. Daarom was hij een van de eerste gerekruteerd en had de operaties ‘allemaal’ meegemaakt. Zowel de geheel mislukte als de minder gelukte. Qua ervaring in het project Michael had Philip Collins dus heel wat voor. Daarentegen was Jim een roodharige keikop, die eens hij dacht gelijk te hebben, niet afgaf tot hij zijn gelijk met handen en voeten en met onomstotelijke bewijzen tot in de puntjes kon aantonen. Hij kon zich zo diep in een opdracht wroeten, dat een mol er nog wat zou van kunnen leren.
            ‘Wat is er gebeurd? Krijgt de senator het op haar heupen?’ Jim McFinster was niet de man om een blad voor de mond te nemen. ‘Een uurtje met mij in een Ierse pub en daarna nog het een en ander als toemaatje en ze eet uit mijn hand als een tam konijntje. Je mag je zo niet laten opjutten Phil. Dat is slecht voor het hart. Jij als wetenschapper zou dat toch moeten weten. Kom, lucht maar even je hart. Diep in en uit ademhalen en het is zo weer over,’ grapte hij.
            Philip vertelde nogmaals dat de senator dacht of vermoedde dat ze de controle over Michael aan het verliezen waren. Ze vroeg of dat er indicaties voor waren dat die controle op zijn minst niet meer honderd procent effectief was. ‘Daarom had ik graag de gevraagde gegevens zo vlug mogelijk te samen met jou bekeken en kunnen we voor morgenvroeg ten laatste een analyse voor onze bazin klaar hebben. Je kent haar Jim, morgen om zeven uur hangt ze terug aan de lijn en zal ze onze “deskundige” mening willen weten. Ik wil voor een pint wedden dat ze het wellicht zo zal formuleren.’
            ‘Oké, chef,’ zei Jim meesmuilend. ‘We doen zo als altijd ons best en God doet de rest.’ Hij startte een aantal query’s en begon zijn archief na te pluizen naar oudere gegevens. De systemen waren gestart, de computers en de databases zouden hun resultaten binnen de kortste tijd op hun scherm tevoorschijn toveren en dan zouden ze met hun twee koppen en met al hun gezamenlijke kennis eens kijken of de senator gelijk had. Misschien was ze overwerkt en waren het enkel maar hersenschimmen. Hersenschimmen, heel toepasselijk in dit geval vond Jim en met een blik als van een pitbull gaf hij nog enkele extra opdrachten door aan de supercomputer. Beter teveel info dan te weinig.



……..



            Toen haar chauffeur haar voor de voordeur van haar Victoriaans huis had afgezet en zij hem had gevraagd om tegen acht uur weer present te zijn voelde ze weer de gevolgen van de stress van de laatste maanden. Het project had zijn tol geëist. De geheimhouding en de periode van vallen en opstaan die voorafging aan het uiteindelijke slagen in hun opzet had haar een paar jaar van haar leven gekost en waarschijnlijk ook een groot aantal grijze haren. Niet dat het haar misstond. Er was een tijd dat men ieder grijs haar telde en uittrok en er was een tijd dat men ze beschouwde als een teken van wijsheid en ervaring. Haren uittrekken beschouwde de senator als misplaatste ijdelheid.
            Een tweetal personen stonden in de schaduw van de bomen die haar huis omringden. Zij was gerustgesteld. Hadden ze er niet gestaan zou er duidelijk iets verkeerds zijn. Haar lijfwacht was haar vooruitgereden en de omgeving veilig verklaard. De andere twee waren bij het hek van haar domein achtergebleven. Daar stond een kleine conciërgewoning waar zij beiden om beurten de schermen zouden bekijken die de  verscholen camera’s in de omheining doorgaven. Zij was een senator van de harde lijn en aldus een doelwit voor allerlei groeperingen die het met haar hardere standpunten niet eens waren. Een van de lijfwachten gaf haar een teken en kwam nader. Hij fluisterde haar iets vertrouwelijks in haar oor. Ze onderdrukte met moeite een glimlach en knikte hem toe.
            Toen ze de binnenkwam en het licht automatisch aansprong zag ze een spoor van witte rozenblaadjes die de trap opleidde. Hmm, ze was niet ongevoelig voor wat romantiek…buiten de werkuren. Ze hing haar mantel over de witte leuning van de lange draaitrap in Irokohout. Na al die jaren was de kleur van de treden van goudgeel naar een soort chocoladebruine kleur geëvolueerd. Daarom contrasteerden de witte blaadjes zo goed met het bruin van de trap.
            Ze volgde met haar ogen het spoor naar omhoog. Het zicht alleen deed haar ontspannen, ze wist wie er boven wachtte. Hij kon haar toch nog altijd verrassen. Langzaam – hij had haar waarschijnlijk al lang gehoord – om hem ook wat te plagen, stapte ze trede na trede de trap op terwijl ze de ritssluiting van haar kleed opentrok en het kledingstuk over haar hoofd uittrok. Haar schoenen met lange naaldhakken had ze voordien beneden al uitgeschopt. Iroko was een zachte houtsoort en hield niet van schoenen met stilettohakken. Op haar blote voeten ging ze de trap op en legde haar kleed over de leuning. Met een sensuele lach die van diep uit haar keel kwam, begon ze zich op dezelfde manier ook van haar ondergoed te ontdoen. De ene verrassing was de andere waard.
            Toen ze over de overloop aan de laatste deur kwam, stopte het rozenblaadjesspoor. Zijzelf was nu even blank en naakt als het laatste rozenblaadje dat ze opraapte. Ze opende de deur en zag midden op het hemelbed een even naakte man liggen. Hij had een fles champagne in zijn handen en was juist bezig met twee van haar champagneglazen te vullen. Het licht schitterde in het glas van het Bohemian Crystal. Twee klassieke glazen met kleurige accenten in de voet van het glas. Ze glimlachte naar hem terwijl ze achter zich de deur sloot en uitdagend naar hem keek. Haar vermoeidheid en spanning was naar de achtergrond verdrongen en hij wist het, zag het in haar ogen. Hoe hij het moment uitkoos wanneer ze hem het meest nodig had wist ze niet, hij had er gewoon een handje van weg. Maar ze apprecieerde het en naar de grijns op gezicht van Jack Sterlington was het duidelijk merkbaar dat hij er ook zin in had.
            Ze nipten beiden van hun chique kristallen glas, terwijl Jack met zijn ander hand zachtjes een weerspannige lok haar wegduwde uit haar gezicht. Zijn vingers gleden verder over haar wang en kin, over haar nek naar haar borsten waar hij plagend wat kringetjes rond haar tepels trok, die direct reageerden op zijn aanraking. Zijn hand gleed verder naar beneden en streelde haar buik en zocht nog verder naar haar zwakke plekje. Hij voelde haar hunkering naar meer aan haar vochtige zachte vrouwelijkheid die hij met tederheid verkende.  Met haar vrije linkerhand strelend over zijn behaarde borst en dezelfde weg naar omlaag volgend, nam ze zijn mannelijkheid in haar vrije hand en voelde hem stijf trillen van verlangen.  Ze nam nog vlug een slok champagne, zette haar glas achter haar op het nachttafeltje en bemerkte dat Jack hetzelfde had gedaan. Ze vleiden zich zwaar ademend in elkaar als passende vormen, boetseerden de hartstocht in al zijn vormen, genoten van iedere stap die hen naar hun gezamenlijke climax en een luidruchtige bevrediging leidde. Eventjes bevrijd van hun demonen vielen ze in elkaars armen in slaap.
            Om zes uur gleed Jack stil en voorzichtig van tussen de zijden lakens en nam zijn klederen die hij op de overloop weer aandeed. Hij was benieuwd naar de uitslag van het rapport van de wetenschappers die hij straks via de schone slaapster die hij had achtergelaten in haar hemelbed zou krijgen. De lijfwachten bewogen niet eens toen hij hen passeerde en naar zijn autobot trok die verdekt onder een treurboom stond opgesteld. Hij zag een van hen een boodschap in de zenderontvanger in zijn mouw spreken en toen hij weggleed stond het hekken van de omheining al open. Hij kon er weer tegenaan en hij veronderstelde dat de vrouw die hij in haar bed had achtergelaten dit ook zou denken wanneer zij straks wakker werd.


copyright Rudi J.P. Lejaeghere
10/04/2015

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen