maandag 13 april 2015

Steen: Hoofdstuk 12

12

            Moira Goudvoet had zich vliegensvlug klaargemaakt om Jul Branden en Tom Varsen te vergezellen op hun reis naar Spadin in Mandregon. Het ene moment was ze nog de indrukwekkende vrouw met het witzilveren haar, het volgende ogenblik zagen ze terug het oude vrouwtje in haar grijze kleed. Jul zal haar eventjes verdwijnen achter haar huisje om daarna terug te komen met een grauwgrijze ezel.
            ‘Vrouwe Moira, ik weet niet of dat vervoermiddel van u, Branco en June zal kunnen bijhouden? Een ezel is nu eenmaal niet sneller dan een paard.’         
            De oude vrouw lachte geheimzinnig naar haar twee reisgenoten. ‘Mijn Hector is meer dan hij eruitziet. Laat je niet misleiden en spreek me niet meer aan met Vrouwe Moira. We zullen plaatsen aandoen, waar ik beter als Moedertje Moira kan doortrekken. Een witte heks trekt niet alleen veel aandacht en die kunnen we missen als kiespijn, het trekt ook wezens van de Andere Kant aan.’
            ‘Wezens van de Andere Kant? Zoals diegene die we boven de dode Dulkas hebben gezien?’ Tom keek nog even om naar de plaats waar de verbrande resten van de krijgers lagen te roken. Moira had hen met een verzengende straal tot een hoopje as herleid.
            ‘Inderdaad, dat was er een van. De Andere Kant is bevolkt met duivelsgebroed en verschillende soorten demonen. Je zou denken dat een verstandig mens zich niet zou inlaten met zo’n creaturen, maar het tegendeel is waar. Er zijn mensen die heulen met deze machtige vijand. Zwarte heksen en tovenaars die portalen proberen te openen waarlangs zij kunnen ontsnappen. Gelukkig zijn de meeste niet sterk genoeg om hen blijvend in deze wereld te houden, daar ik krachtige magie voor nodig.’ Ze fronste haar wenkbrauwen.
            Jul Branden had haar gezichtsuitdrukking zien veranderen. ‘Wat is er, Vr…ik bedoel Moedertje?’ Hij had zich vlug hernomen toen hij de strenge blik van Moira Goudvoet zag.
            ‘De magie die gebruikt werd om Moeder Ke Tuna het zwijgen op te leggen is van zo’n krachtige soort. Diegene die dit heeft bewerkstelligd is van de Donkere Kant, alleen kan ik op dit moment niet zeggen of deze persoon van deze wereld is of van de Andere Kant.’
            ‘Donkere Kant, Andere Kant, hoeveel werelden zijn er wel, ik ben zeker niet goddeloos, maar na wat ik gezien heb, zou je denken dat die Zwarte Magie sterker is dan al het goede.’
            ‘Je mag je vijand nooit onderschatten,’ antwoordde Moira, ‘iedereen die sterft laat zijn lichamelijk omhulsel achter op deze wereld. Zijn ziel, zijn wezen reist door het licht naar de Andere Kant. Daar is er, net zoals op deze wereld, goed maar ook veel kwaad. Onze ziel, zowel die van mij als die van jullie, wordt gedurende je leven sterker, meer ervaren. Hij slaat bij wijze van spreken, energie op door de daden tijdens jullie leven. Deze energie kan zowel wit als zwart zijn. Per saldo bij onze dood, zijn ze getekend en gekleurd zoals we geleefd hebben.’ Ze keek even naar haar toehoorders, die als twee leergierige studenten aan haar lippen hingen.
            ‘Ja, als dat zo zit, zal ik mijn ziel nog heel wat moeten wassen, Moedertje. Ik ben niet altijd een brave handelaar geweest.’
            Moira Goudvoet keerde haar blik op Jul Branden. ‘Dat weet ik, Jul, dat zie ik ook. Wij, witte heksen of Agoeteia, hebben het oog. Wij kunnen jullie ziel zien.’
            Zowel Jul als Tom schrokken. Moira Goudvoet kon zien hoe zij ervan binnen uitzagen, hoe hun ziel kleurde. Het was alsof je plots in je ondergoed stond. Ze voelden zich wat beschaamd, allebei denkend aan wat ze allemaal uitgespookt hadden die niet echt door de beugel kon.
            ‘Wees niet bang, jullie zijn geen aanhangers van de Donkere Kant. Alhoewel sommige kattenkwaad rap kan uitgroeien tot iets ergers, is het aanhangen van de Donkere Kant heel wat anders dan wat jullie als misdaad zien. Het echte Kwaad moet met het volle besef gediend worden alvorens je ziel besmeurd word door het Zwart. Net zoals ridders hun trouw zweren aan de Koning, zo hebben deze dienaars van de Donkere Kant ooit hun trouw aan het Kwaad gezworen. Moordenaars, dieven en verkrachters en ander gespuis zonder berouw krijgen soms het bezoek van iemand van de Andere Kant, een dienaar van het Zwarte. Diegene die zich aansluiten aan hun gelederen, krijgen in ruil voor hun diensten, rijkdom en macht op deze wereld. Je zou schrikken als je zou weten hoe veel aan deze verleiding niet kunnen weerstaan.’
            ‘Maar het goede dan, de Witte Kracht is die dan sterk genoeg om tegen deze machten in te gaan?’ Jul Branden was heel geïnteresseerd. Hij maakte soms liederen over datgene wat hij op zijn tochten tegenkwam. Hier zal hij een mogelijkheid om zijn levenswijsheid wat bij te schaven. Het gevecht van een witte heks met een demon die ze met haar krachten overwon, zou door iedereen gesmaakt worden. Zijn inkomsten als handelaar waren niet altijd even hoog. Gelukkig had hij nu wel het vel van de Buldra die goed zou opbrengen, maar er waren soms andere tijden.
            ‘De volgelingen van het Licht zijn sterk en talrijk. Mijn zusters en onze Moeder Ke Tuna zijn maar enkele van de Witte Kant. Maar het Kwaad is sluw en vecht nooit eerlijk, integendeel. Soms doen ze zich zelf voor als een van de onzen. Gedurig wordt er een strijd gevochten tussen hen en ons. De ene keer slaat de balans door in ons voordeel, de andere keer moeten wij helaas het onderspit delven. Ik vrees echter, dat met de magie waarvan ik een staaltje zag, de balans een hele tijd in het voordeel van het Kwaad kan doen omslaan, met alle gevolgen van dien. Daarom moeten we zo vlug mogelijk naar Spadin, niet voor de jaarmarkt, maar om vrede te sluiten met Tovenaar Bali Korga. Hij is de man die als tegengewicht kan dienen als het erop aan komt.’
            ‘Vrede sluiten? Vergeef me mijn nieuwsgierigheid,’ verontschuldigde Jul zich, ‘is het zo erg, dat die man jou daarvoor wil vermoorden? Tom en ik willen je bijstaan, maar ik vermoed zo dat wij niet opgewassen zijn tegen zo’n man.’
            Moira knikte. ‘Neen, er zijn er maar weinig die opgewassen zijn tegen zo’n man. Bali is groot en sterk als mens, zelfs toen hij nog niet zo’n befaamd tovenaar was, kende men zijn naam. Er doet een verhaal de ronde dat hij met zijn eigen handen tien Dulka’s naar de Andere Kant heeft gezonden. Zonder zwaard of mes. Dus je kan je voorstellen als je daar nog eens een straffe portie magie aan toevoegt, dat je bijna onoverwinnelijk wordt. Het is dat wat mij ook bang van hem heeft gemaakt.’
            Tom keek verbaasd naar Moira. ‘Ben jij bang van hem? Maar hij staat toch aan de juiste kant?’
            ‘Ja, Tom, hij staat aan de kant van het Licht. Ik heb nog altijd de grootste bewondering voor deze man. Ooit was ik…’ Haar stem trilde en Moira zweeg.
            Jul Branden zag iets in de oude ogen van de vrouw, iets dat hij dacht te herkennen.
            ‘Je was verliefd op hem, is het niet?’ zei Jul zacht, toen hij een traan langs de wang van de oude vrouw zag glijden.
            Moira Goudvoet slikte even. ‘Inderdaad, Jul, ooit was ik bestemd om zijn vrouw te worden. We waren smoorverliefd, maar ik was bang voor zijn waanzinnige grote kracht en ik…twijfelde. Ik ben zonder uitleg vertrokken en heb mij ten volle gewijd aan de diensten voor Moeder Ke Tuna. Ik was te ambitieus en was bang dat ik teveel zou verliezen als ik met hem zou trouwen. Ik heb uit goede bron vernomen dat hij heeft het mij nooit heeft vergeven.



……….


            Masaga had de kap van zijn rode pij diep over zijn ogen getrokken. In het duister van de nacht kon men amper de bloedrode kleur van zijn kleding onderscheiden. Zijn zwarte ogen weerkaatsten het weinige maanlicht. Hij was het kamp buitengeslopen. Niemand zou hem tegenhouden.
Hij voelde zich sterk en oppermachtig. Veel meer dan die opgeblazen Kulkadan die hij voor zijn karretje had gespannen. Het was een bloeddorstige bruut die enkel maar een middel kende om zijn macht te handhaven. Zijn brute kracht en zijn leger. Masaga had een leger nodig om zijn plannen uit te voeren. Kulkadan had dit en daarom liet hij zich de onbeleefdheden en de afwezigheid van het nodige respect welgevallen.
’s Nachts onder de bescherming van het duister had Masaga zich al dikwijls afgezonderd om het ritueel te voltrekken. Zijn meesteres moest op de hoogte gehouden worden. Zijn eigen bloed en dit van de wachtpost die hij zojuist de keel had overgesneden, zou zoals altijd ervoor zorgen dat het portaal geopend werd.
Onder zijn pij droeg hij een flacon met het slagaderlijk bloed van de soldaat. Het ritueel vereiste dat het bloed moest zijn uit de halsslagader en het moest dezelfde nacht gebruikt worden. Bloed was een sterke kracht, het versterkte de bezweringen om het portaal te openen, een venster naar de Andere Kant.
Even verder bereikte hij de kring van rotsen, die hij opgemerkt had toen ze hier eerder voorbij reden. Deze kringen waren zowel in Beneden- als in Bovenland te vinden. Niemand wist dat ze via het vergoten bloed, vreemde krachten hadden. Masaga bouwde zich een beschermende koepel. Het sloot de rotsen en hemzelf in en niemand zou hem storen bij zijn nachtelijke bezigheid.
Op iedere top van de negen stenen, druppelde hij wat bloed uit het flacon. Met zijn handen hoog geheven, riep hij zijn de Donkere Kant aan. Zijn ritmische spreuken en bezweringen vloeiden uit zijn mond als zwarte wolken, die neersloegen op de stenen. Een geur van zwavel steeg op van de met bloed besprenkelde rotsen.
Uit zijn pij haalde Masaga een mes met een benen heft en trok met het scherp van de snede een wonde over zijn linker voorarm. Het bloed welde uit de wonde op en boven op de rokende stenen druppelde hij wat van zijn eigen bloed. Een grijze mist trok omhoog uit de kring van rotsen en vermengde zich in een wolk in het centrum van de stenen kring.
Barua, Barua, veni Barua. Sango di, sango mi, veni Barua.’ De mist werd rood en scheurde open. Twee gele ogen kleurden de zwarte glimmende huid van een reusachtig serpent dat tevoorschijn kwam. Uit zijn opengesperde muil blonken twee gifttanden en een gevorkte tong flitste heen en weer. Masaga knielde op een knie neer en boog het hoofd. ‘Meesteres Barua, uw dienaar Masaga, ik ben volledig de Uwe.’
Het serpent rechtte zich op alsof ze zou toeslaan en hem met haar vervaarlijke tanden een giftige beet wou toebrengen, maar haar huid ontplooide en haar kop verbrede en plots stond voor Masaga een heel ander wezen. Ze was bloedmooi, ravenzwarte lange haren die als slangen op haar rug in elkaar kronkelden en twee ogen die als kolen in de nacht blonken. Haar stem klonk als het sissen van het serpent. ‘Massssaga, Masaga! Je bent laat vannacht, ik dacht dat je niet meer zou komen. Mijn trouwe dienaar, wat heb je te melden vandaag?’ Uit haar vingers groeiden vingernagels die er zo scherp als messen uit zagen.
Masaga stond nu recht, onbevreesd terwijl het bloed al op zijn arm aan het stollen was en de wonden die hij met het mes had gemaakt, zich al aan het sluiten waren. ‘Kulkadan, die brute dwaas vermoedt niets. De Steen der Schepping zal zijn ondergang, maar onze zege betekenen. Meesteres Barua, straks met de Steen, zal U heersen over alles wat leeft en niet leeft. Ik zal Uw woorden schrijven met de Steen en wat zal geschreven worden, zal bestaan. Wat U zal doorschrappen, zal ophouden te leven. U zal een God zijn!’
Masaga’s woorden waren nog niet koel of met een krachtige luchtverplaatsing zwaaide Barua met haar armen en Masaga werd met een zwiep tegen de rand van de beschermende koepel gesmeten. ‘Zeg dat nooit meer, ik zal geen God worden. Ik BEN nu al een God.’
De Rode Tovenaar krabbelde recht en knielde terug neer. ‘Vergeef me, Meesteres, je zal de enige en echte God zijn die er was, is en altijd zal zijn.’
In haar ijdelheid gestreeld liet Barua haar armen terug zakken. ‘Houd me op de hoogte van de plannen van Kulkadan. De Steen der Schepping zal het mogelijk maken om alle portalen open te zetten en mijn rijk uit te breiden naar deze wereld. Maar opgelet, de Witte Kracht is zich aan het klaarmaken. Er worden gevaarlijke allianties gesmeed. Ze mogen ons niet in de weg lopen en onze plannen dwarsbomen. Ik heb al veel te lang moeten wachten op wat me toekomt. Dien me goed en je zal beloond worden met macht, Massssaga!’ Barua’s lichaam vloeide uit en haar zwarte mantel werden schubachtig en het reuzengrote serpent met de gevorkte tong trok zich terug in de rode mist.


© Rudi J.P. Lejaeghere
13/04/2015
     


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen