vrijdag 1 mei 2015

Steen: Hoofdstuk 13


13

            Adriana en Kemir waren aan de grens van Spira met Konteki gearriveerd. Niet dat er een bordje stond of een grenspost om aan te duiden dat hier het land van de mannen met de zwarte tulbanden begon. Op het moment dat het dichte woud van Bandar plaats maakte voor de open Vlakte van Kon wisten ze beiden dat ze een andere provincie binnenkwamen. Hier en daar zagen ze in de vlakte grijszwarte spiralende kolommen uitsteken.
Iedereen kende de Pilaren van Teki. Het verhaal van de God Teki en zijn menselijke geliefde Kon werd dikwijls verteld door ouders aan hun kinderen. Teki, de God van de Stenen, was niet gelukkig in zijn rijk in de wolken. Hij had eeuwen gezocht naar een lieve gezellin tussen de hemelvolkeren maar had niemand gevonden waar hij zijn verdere leven wou delen in zijn majestueus paleis. Hij was zo verdrietig dat hij alleen en eenzaam zou blijven dat hij af en toe stenen druppels plengde over een vlakte van Benedenland. Deze harde druppels stapelden zich op iedere keer op dat hij bedroefd was. Zij vormden samen iedere keer een kolom van grijszwarte steen die de vlakte toch wat ontsierde.
Op een zekere dag was hij zo hopeloos dat hij besloot om via een van deze torenhoge stenen torens af te dalen naar de aarde en daar zijn geluk te beproeven. Hij toverde zich om met harde magie in een schapenherder. Om de illusie volledig te maken had hij er ook maar een kudde schapen bij getoverd uit enkele zwerfkeien. Zo zocht hij de vlakte af naar een menselijke partner. Na enkele dagen kwam hij aan de rand van een dorp. Het zag er een welstellend dorp uit. De huizen waren van hoogstaande kwaliteit en er waren zeker twee herbergen en evenveel afspanningen ter beschikking van eventuele reizigers. Hij werd echter uit alle etablissementen buiten geworpen omdat hij maar een herder was en geen geld had. Zijn rijkdom zat alleen in de schapen en wat zij uiteindelijk zouden voortbrengen. Hij kon moeilijk wat wol afsnijden en ruilen tegen een plaats voor zijn schapen en om zelf te slapen.
Uiteindelijk kwam hij weer terecht aan een vervallen schuur aan de rand van het dorp. Hij leidde zijn schapen tussen de wanden van deze krakkemikkige bouwval en probeerde daar zijn slaapplaats te maken. Teki had zich amper neergezet tegen die ene bundel hooi die daar nog rondslingerde en waar zijn schapen reeds aan het knabbelen waren, toen er een jonge vrouw voorbij kwam.
Ze groette hem beleefd en vroeg waar hij vandaan kwam. Hij vertelde haar dat hij niet veel wist van aardrijkskunde en de namen van streken, maar dat zijn land het mooiste was ter wereld. Hij vertelde haar van een azuurblauwe hemel waar hij steeds onder sliep en van de zuiverste wolken die over zijn hoofd reisden, nog witter dan de wol van zijn schapen. Het was er niet echt warm moest hij bekennen, maar de lucht was er zo zuiver als het puurste kristal.
De vrouw vertelde hem dat ze Kon heette en hoe meer hij vertelde over de streek waar hij woonde hoe gretiger de vrouw luisterde. Ze werd smoorverliefd op hem en hij op haar. Toen hij haar kuste wisten ze dat ze voor elkaar geschapen waren. Hij vertelde haar dat hij niets te bieden had buiten zijn schapen, maar dat maakte voor haar niet uit. Als ze maar mee mocht gaan naar waar hij woonde. Het moest een hemel op aarde zijn zoals hij het had beschreven.
Toen nam hij haar mee en toen ze de hoog torende kolommen zag, begreep ze eerst niet welk nut deze gedrochten hadden. Hij nam haar in haar armen, vertelde haar dat ze geen schrik moest hebben en klom met haar naar boven. Haar verbazing was groot toen hij eens in de wolken gekomen, veranderde in de God van de Stenen die hij was. Ze zag zijn hemelpaleis dat straalde in de kleuren van de zon en ze begreep dat hij allesbehalve een herder was. Alles wat hij verteld had, was echter waar. De wolken en de azuurblauwe hemel waren nog mooier dat zijn woorden konden beschrijven. Van die dag af werden Kon en Teki een koppel en de streek waar ze elkaar ontmoet hadden zou voortaan Konteki heetten.
Zowel Adriana als Kemir dachten aan dit verhaal die ze beiden verschillende keren hadden horen vertellen. De vlakte werd weliswaar ontsierd door deze stenen kolommen maar de wolken en de hemel was er mooier dan waar zij ook al geweest hadden. Was het omdat ze dagenlang door het woud gereisd hadden of hadden die stenen structuren die zo hoog reikten dat men amper de top kon zien, de lucht was er klaarder en zuiverder dan ze ooit ervaren hadden.
‘Ik ben benieuwd wat we zouden zien als we een van die kolommen zouden beklimmen, Kemir?’ Adriana verhaalde bijna woordelijk de gedachten die Kemir door het hoofd gingen. ‘Zou er echt een paleis in de wolken zijn? Zouden Kon en Teki daar nog altijd wonen?’
Kemir lachte om de vragen die Adriana stelde. ‘Kom, Adriana, het is een mooi sprookje en ik geef toe dat ik het graag hoorde vertellen. Maar meer is het ook niet. Die zwarte kolommen van steen zijn echter heel vreemd in dit landschap. Het is alsof ze er niet thuis horen. Het is eerder alsof ze uit de aarde komen gekropen in plaats van uit de hemel.’
‘Zie je nog altijd het spoor, Kemir?’ Adriana was even afgeleid geweest bij de gedachte aan het verhaal en bij het zicht van de Pilaren van Teki, maar nu dacht ze weer aan het doel van hun reis. De gedachte aan haar ontvoerde broertje Jani deed haar de mooie legende op slag vergeten.
‘Ja, geen probleem, ze zijn hier langs gegaan, je kan het niet missen. Het moet een immens grote groep Dulkas zijn. Ik begrijp niet hoe zij ongezien zo kunnen door onze streken reizen. Daar moet zeker sterke magie mee gemoeid zijn.’
Kemir had zich juist wat rechter gezet op zijn paard Witte Wolk toen hij geluid achter zich hoorde. Het kwam van achter de boomgrens van het Woud van Bandar. Beiden keken elkaar aan en grepen hun teugels wat vaster. Het geluid klonk heel onheilspellend en na een paar minuten zagen ze een stofwolk die van tussen de bomen kwam.
Hun bloed stolde in hun aderen toen de beesten stilstonden en het stof was neergedaald. Wolven of toch niet? Ze zagen er uit als deze roofdieren, maar waren zeker twee keer zo groot en sommige van die exemplaren gingen op hun achterpoten staan terwijl ze in het rond keken. Kemir telde er tien. Terwijl ze hun snuit in de lucht staken om hun prooi te ruiken leken ze meer op een mensachtig wezen dan op een wolf. Het grootste exemplaar, een roodbruine wolf die zeker een kop groter was dan zijn soortgenoten hief zijn hoofd in de hoogte, opende zijn muil en huilde. Een verschrikkelijk akelig geluid die hen kippenvel deed krijgen toen het hun oren bereikte.
Dit moest een sein geweest zijn want het tiental begon hen in een snelle aanval te naderen. Drie van hen scheidden zich af van de groep en begonnen van links een omtrekkende beweging te maken. Zo ook gebeurde het rechts. De rest holde recht voor zich uit. Het speeksel spetterde uit hun opgesperde vervaarlijke muilen en hun vlijmscherpe tanden beloofden niet veel goeds.
‘Vluchten, Adriana!’ Kemir gaf het goede voorbeeld en gaf Witte Wolk de sporen gevolgd door Adriana die Bruno aanspoorde om zo vlug mogelijk te lopen.
De roofdieren waren echter veel sneller dan de paarden van Kemir en Adriana en het zou niet lang duren vooraleer ze hen hadden ingehaald. De dood zat hen op de hielen. Kemir keek rond zich terwijl Witte Wolk tot het uiterste dreef. Hij zag echter geen oplossing tot zijn ogen de eerste Pilaar van Teki in het oog kreeg.
‘Naar de pilaar, Adriana, we moeten daar onze paarden achterlaten en ze beklimmen anders zijn we er binnen de kortste keren geweest.’ Adriana wist dat Kemir niet overdreef, ze keek nog even over haar schouder en ze beeldde zich in dat ze de warme ademhaling van de achtervolgende beesten in haar nek kon voelen. Zo dicht waren ze weliswaar nog niet, maar ze kon de moordlust in hun ogen al bemerken. Dat was genoeg om zich zo dicht mogelijk over de rug van Bruno te buigen en er nog een laatste sprintje uit te duwen.
Aan de voet van de Pilaar van Teki sprongen ze vliegensvlug van hun paarden, gaven hen een klap of het achterste en gedreven door de schrik liepen de paarden verder terwijl zij aan hun klim begonnen.
Na een paar minuten toen ze al een tiental meter hoog waren keek Kemir achter zich. Hij dacht dat de wolven blijkbaar de achtervolging gestaakt hadden, maar zijn verbazing was groot toen hij het eerste dier zich zag oprichten en ook aan de klim begon. De rest volgde hem op de voet. Dat waren zeker geen gewone wolven. Toen hij iets beter keek, zag hij dat er een rode gloed in hun ogen brandde en hij wist dat dit wezens van de Donkere Kant waren. De magie die in hun ogen scheen was niet van deze wereld.
Hij zag dat Adriana goed klom, ze deed niet onder voor een man en ondanks dat ze in een penibele situatie verkeerden, bewonderde hij haar. Hij keek goed waar hij zijn handen en voeten zette en probeerde zo goed mogelijk gebruik te maken van elke spleet en elk uitsteeksel die hem kon dienen om rapper omhoog te geraken.
Toch werden zijn spieren moe. Hoe hoger zij geraakten, hoe dichter de wolven naar hun hielen snapten. Adriana hield even goed stand naast hem, maar het zou niet lang duren vooraleer de wolven in hun kuiten zouden bijten.
Toen hij dacht dat het verloren was, dat ze als voer voor deze magische roofdieren van de Donkere Kant zouden dienen, kwam er redding van uit de hemel. Een kleine rotsblok ter grootte van zijn eigen hoofd viel van uit de hoogte, miste hem en kwam terecht op de schouder van een van de creaturen. Met een angstig gehuil liet het beest los en stortte in de diepte. Nog meer stenen kwamen naar beneden gevallen. Kemir en Adriana dachten eerst dat er een soort van kleine lawine stenen naar beneden kwam te vallen en dat zij gewoon geluk hadden en niet getroffen werden. Maar de stenen vielen niet lukraak maar troffen hun achtervolgers doelgericht. Een kreeg een voltreffer recht op zijn hoofd en terwijl de hersenen uit zijn kop spatten, viel het beest in de afgrond. Zijn soortgenoten twijfelden en bleven achter toen ze zagen dat de stenen voor hen bedoeld waren.
‘Klim verder, Adriana, ik geloof dat we gered zijn. Ze blijven achter dankzij die gevallen rotsblokken.’
De roodbruine wolf, het grootste exemplaar van de roedel roofdieren gaf zich echter niet gewonnen. Hij was ook de lenigste en de snelste van zijn soortgenoten. Toen hij alleen de achtervolging verder zetten begon het weer stenen te regenen uit de hemel. Kemir keek omhoog maar kon door het wolkendek niet zien wie of hoe deze projectielen geworpen werden.
Het was alsof het dier een voorgevoel had voor de regen aan stenen. Hij ontweek behendig de ene na de andere rotsblok. De wolf sprong lenig als een berggeit van links naar rechts en snelde dan weer een paar meter vooruit. Op die manier begon hij de twee weer te naderen. Kemir en Adriana konden niet zo snel naar boven geraken. Ondanks het feit dat de stenen niet voor hen bedoeld waren, moesten ze toch uitkijken om hun hoofd of schouder niet te ver uit te steken. Het gevaar was niet denkbeeldig dat op die manier ze toch geraakt zouden worden door een van deze blokken.
Toen stopte het plotseling met stenen te regenen. De wolf zag zijn kans schoon en snelde vooruit. Nog tien meter en hij zou hen verscheuren, uiteen trekken met zijn reusachtig scherpe tanden.
Kemir en Adriana keken geschrokken naar omhoog. Hoe kwam het dat het juist nu stopte met stenen regenen? De wolk boven hen veranderde langzaam van kleur en werd grijzer en grijzer tot ze bijna zwart werd. ‘Druk je tegen de wand, vlug!’ Kemir had het uitgeschreeuwd en Adriana had vliegensvlug zich zo dicht tegen de pilaar gedrukt dat de lucht uit haar longen werd geperst.
De donkere wolk werd uiteen gespleten door een gigantische rots die met een duizelingwekkende snelheid naar beneden kwam. Adriana voelde de luchtverplaatsing toen de rotsmassa langs hen zoefde. De bruinrode wolf die een stuk groter dan hen was dan hen had zich ook tegen de stenen kolom geduwd. Zijn forse schouders staken echter iets te veel uit en de vallende rots schampte hem. Dit was echter genoeg om zijn houvast te verbreken en met een angstwekkend gehuil viel hij mee in de diepte.
‘Gered!’ hijgde Adriana. Kemir keek echter naar omhoog. Terwijl de rotsblok naar beneden was gekomen, had de wolk zich iets uitgedijd en kwam bijna ter hoogte van waar ze aan de wand stonden. Twee potige handen kwamen uit de wolken tevoorschijn en trokken Kemir en Adriana moeiteloos het wolkendek in.

© Rudi J.P. Lejaeghere
01/05/2015
  
   

           


            

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen