donderdag 25 juni 2015

Steen: Hoofdstuk 16


16

            Karel Steen had zich al dikwijls afgevraagd of hij de ring zou waardig zijn. Als het zover kwam dat de ring hem de gekende allergie gaf, zou hij er iets op moeten vinden om het volk om de tuin te leiden. Hij wist dat zijn vaders broer, Koning Konrad, hem niet graag had. Het had nooit goed geboterd tussen hem en de oude Koning. Hij kon zich gewoon niet inbeelden dat die oude sentimentele man niet kon inzien dat hij de juiste man was om in zijn schoenen te treden. Beter zelf dan Koning Konrad zelf. De man had veel te veel sympathie met het gewone volk. Zijn audiënties waren een aaneenschakeling geweest van geschenken uitdelen aan zijn volk. Het volk moest de Koning dienen en niet omgekeerd.
Karel Steen was er rotsvast van overtuigd dat het land enkel en alleen baat kon hebben aan een vorst die regeerde met sterke en strenge hand. Geen medelijden voor mensen die het land enkel en alleen maar armer maakten. Daarom had de kroonpretendent zich ook omringd door de rijkste en invloedrijkste mannen van Boven- en Benedenland. Hij had hen rijkdom en grondgebied beloofd als ze hem trouw zouden zijn. Belofte maakt natuurlijk schuld, hij wist dit en daarom moest hij ook de ring in zijn bezit krijgen. Het zou zijn positie in de departementen verstevigen en met de ring zou hij ook de steun krijgen van de twijfelaars.
Daarom ook dat hij een halte voorzien had in Spira. Dit departement had de het grootste aantal inwoners die openlijk en onbeschroomd hun afkeur over zijn mogelijke troonsbestijging hadden laten horen. Hij had de dagen voor zijn vertrek uit Carpagio nog maar een keer de geldelijke steun van de bevriende adel van Westoord gevraagd. Hij had hen grote grondgebieden van de andere departementen beloofd. De beste stukken land, vruchtbaar en gelegen in streken die veilig waren en waar de bewoners onderdanigheid als een gewone zaak vonden.
Karel Steen had echter iets heel anders in zijn hoofd om het geld te besteden. Graaf Machelis Pira, de plaatselijke vorst van Spira, stak zijn afkeer voor Karel Steen niet onder stoelen of banken. ‘Het is een parvenu die leeft op het schuim van zijn onderdanen en die niets van zijn rijkdom wil delen.’ Ja, hij wist wat Graaf Pira had gezegd. Hij had overal spionnen die hem lieten weten wie voor en tegen hem was. Hij kon de man niet gewoon een kopje kleiner maken. Het zou een regelrechte opstand van alle edelen en zelf het gewone volk van Spira betekenen. Hij kon zich dit niet permitteren, zeker niet op dit moment, nu hij nog op zoek was naar de ring.
Toen Zolden, de hoofdstad van Spira in het zicht kwam aan de horizon, had hij de Meester Filiander bij zich geroepen. De oude wetenschapper zuchtte bij het vooruitzicht om voor de prins te komen. Het voorspelde meestal niet veel goeds en er moest steeds rekening gehouden worden met zijn wispelturig en gewelddadig karakter.
‘Monseigneur, u had mij ontboden?’ Mercandor Filiander was niet echt blij met het verloop van de tocht. Hun oponthoud in Tjula om nieuwe voorraden in te slaan, was bloedig geëindigd. De soldaten die strikte orders hadden gekregen van de kroonprins, hadden bij de eerste tegenstand van de landbouwers die hun weinige goederen moesten afstaan, direct ingegrepen. Zeker dertig van de inwoners, zonder onderscheid, of het nu mannen, vrouwen of kinderen waren, werden neergesabeld door de soldaten. De rest van het dorp durfde niets meer te ondernemen en hun voorraden werden geplunderd. Hetgene dat achtergelaten werd, zou amper dienen om een tiende van het dorp voor een week voedsel te geven. Het dorp was ten dode opgeschreven. Meester Filiander had geprotesteerd maar dit had niets uitgehaald. De soldaten waren hun leider trouw. Als hij meer had gedaan dan protesteren zou dit misschien ten koste van zijn eigen leven zijn geweest. Deze krijgers waren even bloeddorstig in hun daden, als Karel Steen was in zijn bevelen.
‘Ja, dat klopt,’ antwoordde de prins. ‘Ik wil dat je in de vlakte voor Zolden het kamp laat opslaan. We gaan hier een paar dagen verblijven. Laat het nieuws aan Graaf Pira dat ik hem wil spreken. Hij komt naar mijn tent en niet omgekeerd. Maar wees diplomatisch. Breng hem het nieuws dat ik in het kader van mijn toekomstige troonsbestijging het land bezoek met een boodschap van vrede. Dat zal hem alleszins al aardig doen opkijken. Ik weet van…Nou ja, ik weet gewoon dat hij de nieuwsgierigheid niet zal kunnen weerstaan om te weten te komen wat ik hiermee bedoel.’
Meester Filiander fronste de wenkbrauwen. Dat was nieuw, een boodschap van vrede. Karel Steen was nu niet echt een voorstander van vrede en verstandhouding. Als hij door een oorlog zich iets rijker kon maken, zou hij het niet laten om honderden mensen voor hem te laten sterven. De man voerde iets in het schild. Hij kon het zien aankomen van mijlen ver. Graaf Machelis Pira zou dit waarschijnlijk ook vermoeden. Maar de man, hoe sterk hij zich afzette tegen de eventuele troonsbestijging van Karel Steen, kon het zich niet permitteren om dit aanbod af te slaan. Hij en zijn voorvaderen hadden trouw beloofd aan het Geslacht Steen. Ieder decennium moest elke leider van ieder departement zijn trouw vernieuwen. Het mocht dan misschien meer een formaliteit zijn, aan een eed werd niet getornd.
‘Jazeker, Monseigneur, tot uw dienst. Ik breng de boodschap door en zal proberen om de Graaf mild te stemmen door het hem zo vriendelijk mogelijk te brengen.’ Hij had een sarcastische ondertoon in zijn antwoord gelegd, die de prins totaal ontging. Karel Steen was al met totaal andere zaken bezig.
‘Roep de schatmeester bij me, voor je mijn opdracht uitvoert.’ Meester Filiander mocht beschikken en dan vond hij goed. Elk gesprek met die verwaande kwast was voor hem een kwelling. Er lagen steeds woorden op zijn lippen die hij niet kon uitspreken. Niet als hij zijn hoofd op zijn lijf nog wat wou behouden.


……….



            ‘Mijn lieve Konaguire, mag ik je twee mensenkinderen voorstellen?’ De vrouw die het mooie paleis bewoonde dat ze binnen waren gestapt was oogverblindend mooi. Ze was heel wat kleiner dan Magnus Lapis, de man die de mensen Teki noemden. Ze droeg haar lange zwarte krullende haar los over haar rug. Kon was gekleed in een azuurblauwe jurk, maar daarboven had ze een schort, gezien ze bezig was in de keuken. De jurk paste goed bij de kleur van haar ogen, die bijna dezelfde tint hadden. Haar vriendelijke blik en mysterieuze lach verwarmde direct hun hart.
            ‘Mijn vrouw houdt ervan om mee te helpen in de keuken. Ze bakt het liefst taarten want ze weet dat ik ze graag lust. Ze zijn echt verschrikkelijk lekker, ik moet er wel op letten dat ik geen overgewicht krijg en door de wolken zak.’ Teki’s lach bulderde door de grote keuken. Naast hen waren er zeker nog een vijftal mensen bezig met allerhande culinaire hoogstandjes klaar te maken.
            ‘Welkom, Kemir en Adriana. Ik ben altijd blij om iemand van mijn thuisland te zien, alhoewel dat meestal van een grotere afstand is. Het gaat niet zo goed meer tussen ons en de mensen van beneden, sinds ze onze steen hebben gestolen.’
            ‘Jullie zijn een steen kwijt?’ Kemir was de woorden kwijt voor hij het besefte en werd rood omdat hij zonder toelating tegen zo’n belangrijk iemand had gesproken.
            ‘Neen, wees niet bevreesd, Kemir. Jullie zijn onze gasten en je kan spreken en vragen wat je wil. Ik weet echter wel niet of we op alles mogen en kunnen antwoorden. Sedert ik met mijn man hier verblijf, kan ik helaas nooit meer naar beneden. De lucht en de plaats houden me hier jong, zoals ik vroeger was. Teruggaan zou een plotse versnelde veroudering betekenen, een zekere dood voor mij. Over de steen later meer, maar laat ik jullie eerst wat eten aanbieden. Ik weet dat jullie de laatste tijd niet echt aan een goede maaltijd bent toegekomen.’
            Kemir en Adriana keken elkaar aan. Hoe wisten zij wat ze gedaan hadden de laatste dagen? Het was een vreemde opmerking, maar hun grommende maag vertelde hen dat ze inderdaad heel hongerig waren. Ze zouden een goede maaltijd niet afslaan.
            Konaguire leidde hen naar een ruime kamer waar de tafel ondertussen al gedekt stond. Toen ze aanzaten aan de tafel, kwamen een aantal mensen binnen met grote schalen. Hun ogen sprongen bijna uit hun oogkassen toen de bedienden de deksels van de schalen haalden. Gebraden eenden, kwartels, fazanten en nog veel meer soorten waarvan ze de naam niet eens kenden, lag op een van de grootste schalen die door twee mannen werd gedragen. De kleinere schalen bevatten fruit en groentes die ze nog nooit hadden gezien.
            Adriana nam een witte appel van een van die schalen. ‘Vreemd, ik heb nog nooit een appel gezien met deze kleur. Hoe noem je die?’
            ‘Jullie zouden er een wolkenappel tegen zeggen, ik spaar jullie onze termen maar, gezien dit een heel aparte taal is, die niet in één twee drie te leren valt. Trouwens, die zijn enkel maar hier verkrijgbaar. Ons fruit zou in een paar tellen rotten op aarde. Ik veronderstel dat dit voor jullie een unicum zal zijn.’
            Kemir keek even op naar Teki, twijfelend of hij mocht aanvallen.
            ‘Eet…eet maar, vrienden,’ antwoordde hij hun onuitgesproken vraag. ‘Doe krachten op voor jullie avonturen. Daarna zal ik jullie ons verhaal vertellen. De waarheid, waarom wij niet meer in vrede leven met de aardbewoners. Het verhaal van de Steen der Schepping’.



……….



            Liborok had Theresa iedere dag wat van zijn eten bezorgd. Het waren de beste stukjes die hij voor haar overhield. Daar hij een van de hoofdmannen was, had hij het gezag om haar dienst wat te versoepelen. Ze kreeg een soort van bevordering en moest toezien op een aantal werken, zonder dat ze zelf nog zwaar werk moest doen. Normaal gezien zou ze zo’n voorkeursbehandeling niet gewild hebben. Ze wou niet beter zijn dan een ander. Maar het idee om op die manier dichter bij haar ontsnapping te komen, liet haar de bevoorrechte positie aanvaarden.
            Ze had Liborok niet echt het idee gegeven dat ze direct rond zijn hals zou vliegen, maar ze behandelde hem wat menselijker dan de andere Dulkas. Ze had verschillende malen zijn maliënkolder opgepoetst en een krijger als Liborok hechtte veel waarde aan zijn uiterlijk als soldaat. Ze wist dit en had het ook met dat doel voor ogen gedaan. Zijn ijdelheid werd erdoor gestreeld en hij werd zelf wat vriendelijker tegen haar directe vrienden.
            Talia, haar beste vriendin in het kamp, had na een tijd moeten beamen dat er toch wat gevoel zat in een Dulka, tegen haar zin dan. Na de behandeling van Kulkadan, had ze iedere geweldenaar van dit ras over dezelfde kam geschoren. Elk van hen was haar vijand en ze bezat geen greintje vertrouwen meer in deze monsters.
            Theresa begon zelf een zekere wroeging te krijgen. Ze leidde de strijder om de tuin en als hij uiteindelijk achter haar bedoelingen zou komen, had ze een vijand voor het leven. Een die met één goedgerichte slag een einde aan haar leven kon maken. Ze moest het echter riskeren. Het verblijf bij de Dulkas zou een of andere keer verkeerd aflopen en dan zou men niet meer van Theresa spreken. Ze zou ergens in een ondiep graf eindigen, vermoord en verminkt door deze bruten.
            Op een zekere avond was ze na haar dienst terug gegaan naar haar tent, maar vond niet direct haar persoonlijke spullen terug. Een van de kinderen vertelde haar dat een van Liborok’s mannen deze had weggenomen en naar buiten had gedragen. Ze vermoedde dat dit het moment was dat ze al een tijdje vreesde. Het was de gewoonte dat de vrouw die een Dulka begeerde bij hem introk. Haar spullen zouden hun weg gevonden hebben naar de tent van Liborok, zoveel was zeker. Als zij hierop negatief zou reageren zou alles voor niets zijn.
            ‘Wat moet ik doen, Talia?’ vroeg ze haar vriendin toen ze de verdwijning had vastgesteld en wist wat er gebeurd was.
            ‘Ik weet het niet, Theresa. Als ik de verhalen hoor van de jonge vrouwen, dan ben ik heel bang voor je. Maar Liborok is niet zoals de jonge hoofdmannen of gelijk welke Dulka. Hij is zachter, vreedzamer. Hoewel ik zeker geen vriendje ben van deze onmensen, denk ik dat je je kans moet wagen, zeker als je je plan wilt doorzetten.’
            Theresa knikte. Het was alsof ze moed schepte uit de woorden van Talia. Ze nam haar vriendin even dicht en kuste haar vriendschappelijk op de wang. ‘Houd je gereed, Talia. Als je meewilt en nu ik de moed nog heb, kan het niet meer lang duren. Houdt de tent van Liborok ieder moment in de gaten. Ik geef je een teken.’
            Ze verliet met stevige pas de grote tent van de vrouwen en kinderen. Ze werd nagezien door verschillende Dulkas op haar weg door het kamp. Ze zag in hun ogen en hun smerige lach dat ze wisten dat ze naar de tent van Liborok op weg was. Het nieuwsje was waarschijnlijk rap verspreid onder de gelederen van de Dulkas. Theresa slikte even toen ze dacht waar ze zich aan waagde.
            De tent van Liborok lag aan de rand van het kamp en toen ze hem naderde zag ze twee keursoldaten op wacht staan aan weerszijden van de opening van de tent van hun hoofdman. Ze knikten naar haar als teken dat ze binnen mocht gaan, zonder anders een teken van spot of binnenpretje te vertonen. Dat was een echt verschil met de tronies van de soldaten die ze onderweg had tegengekomen. Het gaf haar iets van haar vertrouwen terug om de tent uiteindelijk binnen te gaan.
            Ondanks dat de avond ondertussen was gevallen, was het redelijk klaar in de tent. Een paar vuren die dienden als verwarming, gloeiden rood, maar het was vooral de fakkels die een warme gloed gaven aan wat zich binnen allemaal bevond. De linkerkant was voorzien van een tafel met een stoel. Gezien de kaarten die op de tafel lagen, verondersteld Theresa dat Liborok van op die plaats de geschreven opdrachten van zijn leider Kulkadan las en zijn orders aan zijn eigen soldaten uitschreef. Aan de rechterkant bevond zich een zee van kussens van alles soorten kleuren. Theresa telde er zo op het zicht een twintigtal. Liborok hield van luxe. Ze zag fluweel, satijn, katoen en linnen kussens. Maar allemaal in felle kleuren. Hij was in dit opzicht niet anders dan iedere Dulka.
            Liborok lag op deze zee van kussens en was bezig met een krab druiven te eten. Hij volgde haar met zijn ogen toen hij haar had zien binnenkomen. Hij gromde vergenoegd om haar komst. ‘Theresa…’ sprak hij met een schorre basstem.
            ‘Hoofdman Liborok.’ Ze maakte een toepasselijke buiging. Een kleine reverence als eerbied voor zijn titel.
            ‘Maak het je gemakkelijk,’ vervolgde hij en hij wees op een hoopje kussen aan zijn rechterkant. Er klonk iets warms in zijn stem, een zekere genegenheid die ze bij nog geen enkele Dulka had gehoord. Ze voelde terug iets van de wroeging om wat ze hem zou aandoen. Theresa was het niet gewoon om achterbaks te doen en iemand om de tuin te leiden. Het doel wettigt de middelen, dacht ze bij haarzelf, terwijl ze haar vluchtig bezwaar wegslikte en zich op de kussens neerzette.


© Rudi J.P. Lejaeghere
24/06/2015


            

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen