zondag 8 november 2015

Requiem: Hoofdstuk 33 (2e deel)















……..



            Het was zo natuurlijk gegaan dat we er beiden achteraf toch verbaasd over waren dat we het zo vanzelfsprekend vonden. Na de rustgevende theeceremonie waren we naar mijn appartement gereden. Bij het binnengaan had mijn hand even langs dat van Stephen gestreken en we schrokken van het schokje statische elektriciteit dat tussen ons oversprong. ‘Hé, voelde je dat,’ zei Stephen, ‘er springen vonken tussen ons over.’ Op dat moment keken we in elkaars ogen en hoorde ik mijn hart bonzen in mijn keel. Ik voelde Stephens hand, nu zonder elektrische schok, zich onder mijn kin leggen. Hij duwde met zijn wijsvinger licht mijn hoofd omhoog zodat ik recht in zijn bruine ogen keek. Ik was zo dicht bij hem en rook een aftershave gemengd met de geur van de thee in zijn adem die ik hem had eerder had voorgezet. Ik keek hem aan en smolt weg in zijn ogen, hoorde niets meer of het was mijn hart en onze adem die dieper en sneller werd. Zijn lippen waren zacht en lief op mijn gezicht. Plagend kuste hij mijn oorlelletje en ging zo langzaam over mijn kaaklijn naar mijn wang tot hij heel teder mijn lippen kuste. Voor ik er erg in had, had hij mij in zijn armen genomen en werden onze kussen hartstochtelijker, onze handen ondeugender.
Ik trok hem mee naar de slaapkamer terwijl ik zijn hemd onhandig opende. Hij had wat borsthaar maar veel minder dan ik had vermoed. Ondertussen had hij mijn shirt over mijn hoofd getrokken. We kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Het was een grotere ontlading dan het kleine schokje statische elektriciteit. Na een paar minuten lagen we zo naakt als we geboren waren in mijn bed. We verkenden elkaar als blinden, streelden elkaar opgewonden terwijl Stephen boven mij op torende. Hij was een beer van een vent, maar ik voelde geen angst voor hem. Zijn ogen straalden geluk uit, iets wat ik sinds de dagen die ik hem kende nog niet had gezien. Ik had dezelfde gevoelens voor hem. Eigenlijk als ik er eerlijk voor uit kwam, was ik al voor zijn charme gevallen de eerste dag dat we elkaar ontmoetten toen ik in de gang van zijn appartement op hem wachtte.
Ik wist niet of dit liefde was of…lust, nu nog niet. Maar het was  het medicijn dat we beiden nodig hadden. Zijn erectie vond kloppend zijn weg zoals het voorbestemd was. Zijn handen streelden zacht mijn borsten en zijn vingers ontdekten mijn gevoelige plekjes. We gleden harmonisch in een ritme dat ons langzaam naar de extase van de bevrediging voerde.  We lagen nog lang stil in elkaars armen na te genieten. Aan elkaar geklampt als twee drenkelingen die warmte zochten bij elkaar. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Stephen kuste ze liefdevol weg en hield mij nog dichter. Met mijn hoofd op zijn borst hoorde ik de slagen van zijn hart. Een tempo dat eerst nog vlug ging maar naarmate de tijd vorderde, trager werd en zijn normale tempo vond. Het geluid werkte zo hypnotiserend dat ik als een kuikentje in een warm en veilig nest in slaap viel.
Toen ik wakker werd, zag ik Stephen met een glimlach naar me kijken. ‘Weet je, Yukiko, je bent echt mooi. Ik zou uren naar je kunnen kijken zonder me een moment te vervelen.’ Ik voelde me op dat moment ook mooi en begeerd. Zeker als ik naar Stephens ogen keek. Zonder dat ik het wou, moest ik glimlachen. Had ik kleren aangehad, hij zou me op dat moment met die bruine kijkers uitgekleed hebben. Misschien sinds lang voelde ik in mijn binnenste iets dat mij warmte gaf, een gevoel van thuiskomen. Iets wat ik sinds de dood van mijn ouders had gemist.
‘Moet je wat te eten hebben? Ik kan iets voor je klaarmaken. Een omelet of zo, ik moet nog we wat verse eieren in de koelkast liggen hebben en met wat garnalen erdoor gemengd, zo eet ik dat het liefst. Hou jij daarvan?’
‘Mmm, doe maar een grote voor mij. Kan je honger krijgen van vrijen? Moeten we meer doen,’ plaagde hij me lachend en keek me na toen ik poedelnaakt uit het bed sprong en mijn kleren bij elkaar raapte. Toen hij de keuken binnenkwam met de neus omhoog de geur van de omelet opsnuivend, zag hij er anders uit. Er was een stukje hoop geboren in de laatste uren. We wisten beiden dat we geen rust zouden vinden vooraleer de moordenaar van onze familieleden achter de tralies zou verdwijnen. Als het aan mij lag zou hij nooit de binnenkant van een cel zien. Ik had iets beloofd en zo’n belofte was voor mij even bindend als de band van de liefde die ik nu voor Stephen voelde. Tegelijkertijd besefte ik dat Stephens roots aan de andere kant van de wereld lagen. Maar daar maakte ik mij op dit moment geen zorgen om. We hadden elkaar gevonden op een moment dat we elkaar nodig hadden en of het iets zou worden, zou de toekomst uitwijzen. Vandaag voelde ik de vlinders in mijn buik en ze fladderden van geluk toen Stephen op zijn omelet aanviel alsof hij in twee weken niet had gegeten.  Mmm, lekkere Stephen!



……..



            Norino had zijn beste pak aangetrokken. Niet dat dit veel van de andere die hij in zijn kast had hangen, verschilde. Het was het grijze pak van de Veiligheidsdienst waarvan men er een paar kreeg bij indiensttreding. Ondertussen had hij al heel wat pakken versleten. Zowel zijn pakken als hijzelf hadden hun tijd gehad. Zo dacht hij soms de laatste tijd. Hij zat op een bankje te wachten in het bureau van de secretaresse van de directeur van zijn sectie.
            Jiro Taketani was niet alleen zijn rechtstreekse baas maar ook lid van het hoofdbestuur. Norino Vastai zou de netelige kwestie van de moorden en de samenhang met de chipcultuur van de Oude Wereld met hem bespreken. Taketani zou dan beslissen of het nodig was om dit te bespreken in het hoofdbestuur.
            De secretaresse ging juist met haar hand naar haar oortje en hij veronderstelde dat ze het bericht kreeg dat de directeur klaar was om hem te spreken. ‘De directeur verwacht u, hoofdinspecteur Vastai.’
            ‘Arigato,’ bedankte Norino de dame die waarschijnlijk heel wat gevaarlijker was dan ze eruitzag. Ieder bestuurslid van de Veiligheidsdienst werd goed beschermd omdat ze niet zo door het gangstermilieu geliefd waren. Vele van hen hadden tijdens hun loopbaan Japanse Yakuza en Chinese Triades achter de tralies doen belanden. Zo’n mensen zworen wraak en er zat geen vervaldatum op hun dreigende beloftes.
            Norino wist dat het gebouw van het hoofdbestuur beveiligd was met honderden camera’s en veiligheidsgadgets die verborgen zaten in nissen en muren. Als het alarm afging zou een kever zelf niet meer ontsnappen uit dit gebouw. Soms gaf het hem wel de kriebels. Hij wist dat de lieftallige dame die hem de weg naar binnen wees, minstens een drietal gevechtssporten perfect beheerste en dat ze in een paar seconden een paar wapens boven zou kunnen halen die een onvoorzichtige ziel terstond tot andere gedachten zou brengen.
            ‘Do itashimashite, graag gedaan,’ antwoordde de dame met een lieve glimlach en duwde op een knop. Hij hoorde een klik en toen pas kon hij de deur openen die een korte gang onthulde die naar het bureau van zijn baas leidde. Hij kende de veiligheidsroutine. Oogscan,  vingerafdrukcontrole en stemverificatie en een tweede deur ontsloot zich na positieve herkenning.
            Jiro Taketani was een man die hij goed kende. Eigenlijk een beetje het tegenovergestelde van Norino Vastai. Hij was een tiental jaar jonger, maar heel wat slanker en fitter dan Norino. Als lid van het hoofdbestuur droeg hij een maatpak met een bijpassende das. Je kon hem door een ringetje halen. Zijn bureau was ook even vlekkeloos als de man zelf. Geen stapels dossiers of koffiebekers of theekommetjes die rondslingerden zoals op het bureau bij Norino. Er lag een tabletcomputer voor Jiro Taketani waarop hij juist nog iets had ingetikt.
            ‘Ohayou gozaimasu. Goedemorgen, kom binnen Norino, zet u. Iets te drinken, thee of wat frisdrank.’ De man kwam van achter zijn bureau en schudde de hand van Norino. Het was niet de eerste keer dat Norino hem bezocht en ze hadden het al altijd goed met elkaar kunnen vinden. Daarom ook dat Norino zijn ideeën of plannen vooraleer hij ze in de praktijk bracht af en toe kwam voorleggen aan zijn rechtstreekse baas. Trouwens, Jiro Taketani was ooit nog een aantal jaar zijn eigen hoofdinspecteur geweest. Jiro Taketani was altijd al een carrièreman geweest, dat had Norino altijd geweten. Het verwonderde hem dus niet dat hij vlug promotie had gemaakt en dat hij mede door invloed in hogere regionen het tot bestuurslid had geschopt.
            ‘Graag, een glas water als het kan,’ vroeg Norino. De directeur zwaaide even met zijn hand naar een wand en die schoof open en openbaarde een bar om ‘u’ tegen te zeggen. Ook een van de voordelen van zo’n positie. Hij wist dat Jiro nooit een druppel alcohol dronk, toch zag hij een aantal flessen staan die in een selecte barkast niet zouden misstaan. Waarschijnlijk kreeg hij soms nog ander bezoek die liever wat sterkers hadden.
            ‘Directeur…,’ begon Norino maar werd direct onderbroken.
            ‘Kom, mijn beste Norino, zeg maar Jiro.’
            Het was een steeds wederkerende vraag bij de bezoeken van Norino Vastai aan Jiro Taketani, maar Norino vertikte het om zomaar zonder toelating de voornaam van zijn baas te gebruiken.
            ‘We kennen elkaar goed genoeg om elkaar te tutoyeren,’ vervolgde Taketani. ‘We hebben in onze tijd toch samen een mooi aantal zaken opgelost en de maatschappij van een aantal misdadigers kunnen verlossen. Als dat geen reden is om elkaar met de voornaam te noemen, zou ik het ook niet weten. Met wat kan ik je van dienst zijn. Ik vermoed dat het om onze seriemoordenaar gaat, ben ik juist of ben ik juist,’ glimlachte de directeur die hem het glas water overhandigde en voor zichzelf er ook een uitschonk en met een magisch handgebaar de wand weer sloot.
            Nou ja, zo’n gadget zou Norino ook thuis wel willen, maar daar zou hij dan wel wat lekkere sake in bewaren.
            ‘Jiro, je weet dat we nu al een tijdje vast zitten in de zaak van de Akai-moorden. Laten we ze zo blijven noemen omdat ze vanaf het begin zo gecatalogeerd werden.’ Hij stopte even om de uitdrukking op het gezicht van de directeur te bestuderen.
            ‘Hoe bedoel je, mijn beste. Is er sindsdien iets gebeurd waarvan ik geen weet heb?’ fronste een verontwaardigde Taketani.
            Normaal gezien werd elke dag een overzicht van de lopende zaken doorgemaild door de centrale administratie van de Veiligheidsdienst naar het hoofdbestuur. Zo waren zij iedere dag ‘bijna’ up to date.
            ‘Vanavond zal er iets in dat rapport staan, waarvan ik je zelf op voorhand wou vertellen. Ik vond het te belangrijk om te wachten tot het rapport was opgemaakt. Een van mijn adjuncten,  zoals u al weet heeft ontdekt dat de MO van onze dader niet alleen toegepast wordt op Akai-mensen maar dat er ook slachtoffers zijn gevallen onder andere bevolkingsgroepen. Wat ik je persoonlijk wou komen vertellen was dat wij, dat wil zeggen ik en mijn beide adjuncten denken dat er een politiek geurtje aan gans deze situatie zou kunnen zitten!’
            De directeur dronk zijn glas leeg en vulde na een gebaar naar Norino nog eens beide glazen vol.’ Hoe bedoel je, heb je daarvan bewijzen. Is er een nieuw slachtoffer, een diplomaat of politieker?’
            ‘Neen, geen nieuwe slachtoffers. Maar we hebben kunnen nagaan dat alle slachtoffers ooit naar de Oude Wereld zijn gereisd en dus gechipt waren. Bij de meeste werd een poging gedaan om de chip te vernielen. Dus het zou kunnen zijn…let wel het is maar een theorie, dat de moorden gepleegd worden vanwege de mogelijkheden van die chip. Misschien, maar dat is een minder geloofwaardige piste, kan het zijn dat de slachtoffers iets gezien hebben op hun reis door de Oude Wereld dat niet voor hun ogen bestemd was. Minder waarschijnlijk omdat niet iedereen dezelfde plaatsen heeft bezocht. Ik kies eerder voor de eerste optie omdat men de slachtoffers zo verminkt om enerzijds de identificatie te vermoeilijken en anderzijds als afleidingsmanoeuvre voor het vernietigen van sommige delen van de chip. Als het zo is, onderschatten ze mijn mensen, want wij beschikken toch ook heel wat deskundigen die wat van de gegevens op de chips hebben kunnen lezen. Al waren het wel dan alleen de identiteitsgegevens van de persoon in kwestie, wat mij nog meer doet veronderstellen dat de chip meer dan alleen identiteitsgegevens en een sensor tegen fall-outzones bevat zoals men in het Westen beweert.’
            Jiro Taketani had aandachtig geluisterd zonder Norino Vastai te onderbreken. Norino wist niet of het zijn verbeelding was, maar de directeur was niet meer zo stoïcijns zoals in het begin. De uitleg van de hoofdinspecteur had hem de zenuwen bezorgd, dat kon Norino vaststellen. Het was trouwens een van de eigenschappen van een goed ondervrager om de lichaamstaal van iemand te kunnen lezen. Norino Vastai had bakken ervaring.
            ‘Ik ben blij dat je mij dat nog voor het rapport uitkomt, hebt komen vertellen. Gelieve je adjuncten opdracht te geven om dit feit “niet” te vermelden in het rapport….Uit veiligheid, mijn beste Norino. Ik maak zelf direct een memo voor de leden van het hoofdbestuur,’ en hij voegde de daad bij het woord en begon op zijn tablet een aantal zaken te typen en toonde het dan aan Norino. ‘Is dat ongeveer de strekking van wat je hier hebt beweerd? Zeg het gerust als ik er nog iets moet aan toevoegen? Ik doe dit, omdat anders dit gevoelige thema via jouw administratie zal gaan dat er een grotere kans is dat dit naar de pers en via hen naar de buitenwereld lekt. Dat moeten we zeker vermijden. Ik zet er een speciale groep op die deze optie moet uitspitten tot op het bot. Vanaf nu is dit gegeven een intern geheim. Gelieve je naaste medewerkers daar ook op te wijzen.’
            Norino was opgelucht. Een zorg die van zijn schouders was genomen. Jiro was een capabele directeur die niet voor niets zo vlug carrière had gemaakt. Hij zou zich beter bewegen in die politieke en diplomatieke spinnenwebben dan een gewone hoofdinspecteur die verlangde naar wat rust. Hij was maar een gewone man die zich thuis voelde tussen zijn eigen mensen van de Veiligheidsdienst en de taken die hij als hoofdinspecteur toegewezen kreeg. Al dat gekonkelfoes op hogere regionen was geen spek voor zijn bek.
            Ze namen afscheid van elkaar en Jiro beloofde Norino op de hoogte te houden als er nieuws was. Norino beloofde op zijn beurt Jiro als eerste te laten weten of er iets uit de deur aan deur bezoeken van zijn dienst uit de bus zou komen.


copyright Rudi J.P. Lejaeghere


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen