vrijdag 13 november 2015

Requiem: Hoofdstuk 34








34



            Stephen schrok net zoals ik van de bons op de deur. Wie kon dat zijn, ik verwachtte niemand? Vandaag zou ons groepje nog bij Gekko te samen komen, maar Ji en Eagle Eye hadden afgesproken om ons samen daar te ontmoeten. Ik keek naar het beeldscherm van mijn nieuwe beveiligingssysteem. Stephen kwam naast me staan en we zagen beiden dat een onbekende man voor mijn deur stond. Een westerling. Op de vraag of Stephen hem kende, schudde die ontkennend zijn hoofd. Toen zag ik pas dat de man zijn hand tegen zijn zijde hield. Hij was gewond! Voor zijn ogen lag een soort waas en hij stond te wankelen op zijn voeten, moest zelf steun zoeken aan de muur. Dat was echter nog geen reden om hem binnen te laten. Integendeel, het kon een junkie zijn of iemand die dronken was.
            ‘Wie ben je, maak je bekend?’ Ik zou toch eerst moeten weten wat hij aan mijn deur kwam doen vooraleer ik erover zou denken hem binnen te laten. Was het de moordenaar, hij leek er in de verte niet op. Een blonde man met groenachtige ogen. Ogen die pijn uitdrukten. Dat kon je toch niet acteren, of toch?
            ‘Je kent me niet. Jack…Jack Sterlington, ik weet….moordenaar…hij heeft mij verwond.’ Zijn stem klonk zwak en hees. ‘Stephen March….is Stephen daar?’
            We keken elkaar allebei verbaasd aan. Hij was wel aan het juiste adres, anders zou hij Stephens naam niet hebben vernoemd. Wist hij iets over de moordenaar van onze familieleden? Blijkbaar was hij verwond door diezelfde man. Ik nam een besluit en vroeg Stephen achteruit te gaan en gaf de code in het toetsenbordje om de deur te ontsluiten. De man viel gewoon binnen. Ik stond reeds in een afwachtende gevechtshouding en Stephen keek van op een afstandje naar het vreemde tafereel. Blijkbaar was de man die zich Jack Sterlington noemde in de ingang van mijn appartement bewusteloos gevallen.
            ‘Neem jij zijn schouders, dan neem ik zijn voeten.’ We leggen hem op de divan. ‘Voorzichtig voor die vaas,’ riep ik nog juist op tijd. Het was een geschenk van mijn moeder en een aandenken die ik niet graag had zien sneuvelen. Uiteindelijk slaagden we erin hem op de divan te krijgen. Ik opende zijn vest en zag direct dat zijn toestand geen acteerstukje was. Deze man was wel degelijk verwond. Ik was geen verpleegster, kende wel iets van EHBO, maar dit ging wel boven mijn petje. Toen ik het verband losmaakte zag ik een blauwachtige huid en bij een lichte druk op de wonde welde er pus op. Ik dacht aan gangreen en zei dit ook tegen Stephen maar zou er niets durven op verwedden. We wisten allebei dat die man directe professionele medische zorgen nodig had, wie hij ook was.
            Stephen had ondertussen Ji Lang aan de lijn. ‘Ji kent iemand, een dokter die hem kan helpen, maar die zal binnen de 24 uur aangifte moeten doen,’ telefoneerde hij me door. Het zou een zware dobber worden om die grote westerling naar de lift te slepen, hoewel Stephen wel wat macht had. Een bewusteloze man was een dood gewicht en was dus wel wat zwaarder om mee rond te zeulen.
            Had hij ons gehoord, ik weet het niet, maar de man kwam plots weer bij en wilde zich recht trekken maar met een kreet zonk hij terug in de divan. ‘Ik moet…wie is…Stephen?’
            Stephen ging op zijn knieën naast de man zitten. ‘Hier ben ik. Ik ben Stephen March. Mijn beste man, ik weet niet wie of wat je bent, maar als je binnen de kortste tijd niet de juiste zorgen krijgt toegediend zal het een korte kennismaking zijn. Je bent heel ernstig gewond. We vermoeden dat je gangreen hebt.’
            De man die zich Jack Sterlington noemde, knikte dat hij het begreep. ‘Oké, maar….ik moet….Bank of America…Detroit.’ Was hij aan het ijlen of was het een boodschap, we begrepen er niets van. De man haalde uit zijn broekzak een verharde plastieken kaart. Eerst dachten we dat het een bankkaart was omdat hij die vermeld had. Er stonden cijfers en letters op en er was een chip in verwerkt. Het kon een RFID zijn zoals de staaf die Stephen had gebruikt om het kluisje met de bewuste videostick te openen. De ogen van de man draaiden weer weg en we besloten hem op te tillen toen hij Stephen bij zijn mouw nam.
            ‘Onthouden…210635AD…AD140734LL…code, senator…ze is…niet vertrouwen,’ en toen verloor hij weer het bewustzijn. Ik had mijn memoblok direct vast en tikte de sequentie van getallen en letters in en hoopte dat ik het niet verkeerd had ingegeven. Blijkbaar was het iets heel belangrijks, anders zou een gewonde man aan andere zaken denken. Bijvoorbeeld aan zo vlug mogelijk hulp zoeken om zijn eigen vel te redden.
            We hadden hem nu toch al in de lift gesleurd en terwijl we daalden ging het mobieltje van Stephen af. ‘Het is Ji, die staat beneden klaar met de autobot. Ik denk dat het een dubbeltje op zijn kant wordt. Ik heb juist zijn pols genomen en al ben ik geen dokter, die is veel te snel.’.
            Eindelijk waren we beneden en Ji stond al klaar aan de lift om het van mij over te nemen. Ik liep voor en schoof de deur van de autobot open en hielp Ji en Stephen om de gewonde binnen te krijgen. ‘Rijden maar,’ riep ik naar Ji die aan de console zat. Hij drukte zijn bestemming in en we voegden ons in de file.



……..




            Het was altijd schipperen tussen de weg van de wetenschap volgen en de weg van het inschatten van de mogelijkheden die daartoe leidden. Gekko had een aantal scenario’s uitgedacht om de CCD te saboteren. De ene optie al gevaarlijker dan de ander. De frustratie die hij daarbij ondervond door zijn handicap, was misschien juist zijn sterkte. Hij pushte zijn geestelijke vermogens zo ver dat hij steeds een oplossing probeerde te vinden, die uitvoerbaar was voor een lichamelijk goed functionerende mens maar tevens de finesse had van de techneut die hijzelf was. Hij had daarom ook aan zijn contact bij de Weerstand gevraagd om een gedetailleerd curriculum vitae van de groep die de opdracht zou uitvoeren. Dat zou bepalen welk plan de beste slaagkans had.
            Feliciano had er zijn werk van gemaakt en dat deed hem plezier. Hij had er zelf niet aan getwijfeld. Ze waren zielsverwanten, misschien zou de term geestverwanten hier beter passen dacht Gekko. Feliciano was uitvinder en Gekko wist als niemand beter dat iets nieuws uitdenken een van de moeilijkste opdrachten van een mens was. Inventiviteit was iets dat aangeboren was. Een talent dat men niet kon aanleren. Je had het of je had het niet. Feliciano had het en Gekko ook.
            Anderzijds was het Iléna Federova op het lijf geschreven om als derde lid het groepje te vervoegen die in de Kelder zou moeten binnenbreken. Ze was een vrouw die zich kon verdedigen als het moest. Haar zwarte band in Aikido zou er voor zorgen dat eventuele lastige obstakels, waarmee Gekko aan nachtwakers of mensen van de beveiligingsdienst dacht, zo vlug mogelijk uitgeschakeld werden. Wat haar rol zou zijn, wist hij nog niet juist, maar dat zou hij nog wel uitdokteren.
            Feliciano zou proberen uit te vissen, door wat overuren te kloppen op zijn afdeling, hoe de dienstregeling in elkaar zat. Ze hadden niet veel tijd meer, maar men mocht niet overhaast beslissen. Een half plan is een mislukt plan. Als ze de boel op een goede en definitieve manier wilden saboteren en er achteraf nog konden over navertellen zouden ze alles tot in de puntjes moeten te weten komen. Hoeveel mensen liepen er wacht? Wat was het interval van hun rondes, werden ze afgelost door nieuwe ploegen, om de hoeveel uur? Uit wat bestond de elektronische beveiliging? Allemaal vragen die bij dit project opdoken.  Misschien dat Gekko als hij het computersysteem van de Kelder kon kraken een aantal problemen voor hen kon oplossen.
            Gekko wist dat hij nu niet speelde met wiskundige variabelen of met codes en software. Hij had een aantal levens in zijn handen en het hing van hem af om deze mensen een zo groot mogelijke slaagkans te geven. Op zich was het voor hem ook een wiskundig vraagstuk, maar eentje waar hij al zijn verstand en ervaring die hij had zou moeten gebruiken. Levens waren belangrijker dan cijfers, hoe moeilijk hij het soms vond om dat toe te geven, hij was er zich wel ten volle van bewust.
            Het duo dat Iléna had gekozen waren broers. Joeri en Nikolaj Pavlovitsj Volkov waren in hun vroegere leven circusartiesten geweest. Ze waren befaamd om hun ontsnappingstechnieken waar Harry Houdini  een puntje aan kon zuigen. Geen slot of boei hield hen tegen. Daarbij waren ze als spionnen voor het goede oude Europese Rusland - een bijverdienste die goed had verdiend terwijl ze met het circus door de wereld trokken - getraind in het kraken van elektronische beveiligingen. Ze hadden beiden nog een speciale hobby die misschien te pas kon komen. Wie ooit door een geveltoerist werd beroofd, weet dat die halsbrekende stunts moeten uithalen om verdiepingen hoog te klimmen met enkel maar grip op kleine natuurlijk inkepingen in een muur. Zij waren de beste onder de specialisten in dit vak. De gebroeders Volkov waren de gepaste mensen voor de juiste job!
            Maar Gekko zou de sleutel in dit alles zijn. Op het gepaste moment zou hij op de juiste knoppen moeten drukken, de juiste codes invoeren, camera’s omleiden en zorgen voor afleidingsmanoeuvres. Gemakkelijk was anders, maar dat hield Gerekko Dai niet tegen. Integendeel. Het was voor hem een soort provocatie, om voor het onmogelijke toch nog een oplossing te vinden.  De uitdaging om dit te kunnen organiseren met goed gevolg was wellicht een compensatie voor zijn handicap, zo dacht hij soms. Hij moest enkel de mensen die de zaak uitvoerden tot in de puntjes kunnen inschatten en minutieus op hun opdracht voorbereiden. Een moeilijke taak. De werking van een machine kon men voorspellen maar de reacties van mensen op een situatie voorzien, was een andere zaak.  Ook bij hen moest hij weten waar de knopjes zaten die hen de juiste dingen op de juiste momenten zouden laten doen. Daarom ook had hij aan Feliciano een uitvoerige curriculum vitae gevraagd van Joeri en Nikolaj en natuurlijk ook van Iléna. Niet alleen qua vaardigheden, maar ook een psychologisch profiel zou hem helpen om een aantal zaken in te schatten bij zijn moeilijke taak.
            Terwijl hij deze persoonsbeschrijvingen las op zijn projectiescherm en de foto’s bekeek van het drietal bleef hij wel iets langer bij de foto van Iléna hangen. ‘Wat een mooie vrouw,’ zei Gekko luidop en was verrast van zijn uitspraak dat hij rondkeek of niemand hem had gehoord. Zo’n symptomen kreeg je natuurlijk als je 24 op 24 op je eigen stek bleef zitten. Hij had zijn eigen autobot die aangepast was aan zijn lichamelijke belemmeringen. Als hij het wou kon hij via de lift die hij had laten installeren vanuit zijn appartement naar de kelderverdieping waar hij via een mobieltje zijn autobot kon starten en tot voor de lift kon laten verschijnen. Een ingebouwd hefsysteem kon hem met rolstoel in het vehikel hijsen en normaal gezien tot daar was er geen vuiltje aan de lucht. Hij kon zich met zijn autobot verplaatsen naar elk punt dat hij in de ingebouwde gps programmeerde. Maar dan pas begonnen de problemen voor Gerekko Dai. Het uitstappen en een vreemde wereld betreden die niet smetvrij was, die niet aangepast was aan zijn noden! Het schrikte hem af,  zodanig dat het denken eraan hem al het koud zweet bezorgde. Hij wist dat elke fobie een naam had, door wetenschappers uitvoerig beschreven was en dat er een behandeling voor was. Maar Gekko was gelukkig tussen zijn vier vertrouwde muren. Wanneer hij naar de foto van Iléna keek zou hij toch graag van die angsten verlost zijn. Misschien…neen, hij moest zich concentreren op zijn job. Hij sloot het scherm af en opende de scenario’s die hij tot nu toe had ontworpen.



……..



            De man had zojuist zijn ziel verkocht. Eigenlijk was dit niet juist geformuleerd. Het was al veel vroeger gebeurd. De drang naar macht en overheersing had al altijd in hem gewoond. In de dagelijkse sleur moest hij zich dikwijls voegen naar de besluiten van de meerderheid. Het stemrecht of het veto van een van zijn collega’s was hem al te dikwijls de baas geweest. Nu zou er iets veranderen. Niemand buiten enkele vertrouwelingen wist wat er op handen was. Het zou de aanleiding zijn tot grote veranderingen in zijn Wereld. Hij was de hemel beloofd, maar bleef met zijn voeten op de grond. Men moest hem geen blaasjes wijs maken, als hij een tiende kreeg van wat men hem had toegezegd zou hij al meer dan tevreden zijn. Het zou van hem de machtigste man maken in zijn entourage. Als alles verliep volgens plan zou hij straks zeggen hoe het moest en niemand zou hem overstemmen, niemand zou zich beroepen op een veto.
            Met een peinzende blik staarde hij naar het scherm, waar zojuist een vrouw hem de nodige info had gegeven over de geplande invasie. Ze zouden niet met de aantallen overwinnen maar met de technologie. De CB-chip had een stuk nanotechnologie die zijn wereld had ontwikkeld in praktijk omgezet. Hij had de wetenschappelijke dossiers doorgestuurd via een satelliet die speciaal voor dit doeleinde was gelanceerd. Spionage? Landverraad? Volgens hem waren deze begrippen niet meer van deze tijd. Gezond verstand en inschatting van de toekomst was voor hem de aanleiding waarom hij deze stappen had ondernomen.
            Hij had de vrouw ontmoet bij een internationale conferentie omtrent het onderwerp ‘Wereldvrede’. Hoe ironisch achteraf bezien dat dit de start was van een militaire coup die volgen Jiro Taketani nodig was. Men had het gepeupel te veel vrijheid gegeven, de teugels teveel gevierd. Vrije meningsuiting en stemrecht voor iedereen, een maatschappij waar iedereen op gelijke wijze werd behandeld, het was voor hem allemaal een brug te ver. Zijn tegenwerpingen had hij voor zichzelf gehouden, zijn reactie zou verkeerd begrepen worden. Hij zag wat er rond hem gebeurde. Iedereen ging mee in de beweging en hij zou niet tegen de stroom in zwemmen. Hij was geen zalm! Hoe ze het wist, had hij nooit kunnen achterhalen, maar ze had hem benaderd en een paar ideetjes in zijn hoofd geplant. Ze had hem een de code en het middel gegeven om haar te contacteren. Nu was het zover. Zijn officiële medewerking was een feit.
            Jiro Taketani opende zijn bar en goot zich een ruime Chivas Original in. Niemand die het wist maar hij had een zwak voor deze whisky. Vijfentwintig jaar oude blended whisky. Een streling voor het gehemelte. Het water had hij weliswaar niet afgezworen, maar als hij op belangrijke momenten een toast wilde doen, was deze gouden nectar zijn favoriet. Hij nipte even aan het goed gevulde kristallen glas en voelde de warmte van de geestrijke drank zijn lichaam inpalmen. Voorzichtig genieten, niet te vlug. Hij moest zijn hoofd erbij houden. De senator was een prachtige vrouw maar hij onderschatte haar niet. Iemand die op zo’n grote schaal iets kon organiseren zonder dat de Oude of de Nieuwe Wereld er weet van had, was iemand waarmee men rekening moest houden. Toch zag hij voor zichzelf de toekomst mooi ingekleurd. Een promotie die niet te vergelijken was met wat hij ooit al in zijn loopbaan had meegemaakt. En de macht die ermee gepaard zou gaan! Niemand zou daaraan weerstaan. Jiro Taketani zeker niet.


 copyright Rudi J.P. Lejaeghere



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen