zondag 17 januari 2016

Requiem: Hoofdstuk 39 (1e deel)









39



            Hij ontwaakte in een donkere ruimte. Er bestaan vele soorten duisternis. De ene perceptie van donker is zo verschillend van de andere. Soms verduisteren we een ruimte, maar zien we nog net genoeg om alles in een waas te onderscheiden wat zich rond ons bevindt. Je kan het op een bepaalde manier donker maken in een ruimte dat je enkel de grote obstakels of voorwerpen nog kan onderscheiden. Om het echter ondoordringbaar zwart te maken, moet je er wel iets speciaals voor doen. Alle kleine gaatjes of gleufjes waar het licht kan doorsijpelen opzoeken en toestoppen. De stoffen die je gebruikt als gordijn voor een venster moeten meer dan dubbeldik zijn want ogen passen zich na een tijd aan en kunnen toch enkel contouren onderscheiden. Stephen ontwaakte in een kamer waar het kleinste spoor van licht ontbrak. Er zat weliswaar geen raam in die ruimte maar dat wist hij niet want het was zo donker dat hij niets, maar dan ook niets zag.
            Zijn hoofd tolde en alhoewel hij niet wist hoe de kamer eruitzag waarin hij zich bevond,  had hij het gevoel of alles ronddraaide. Een naar gevoel dat men soms heeft als men wat teveel heeft gedronken en zich in zijn bed te slapen legt. Nooit een goed voorteken! In dit geval had alcohol er niets mee te maken. Stephen ontwaakte uit een verdoving met de kenmerkende symptomen die daaraan toe te schrijven zijn. Duizeligheid, hoofdpijn en een gevoel van ontheemding. Zijn mond voelde kurkdroog en hij dacht een moment dat hij zou moeten overgeven, maar stilletjes aan begon ‘de kamer die hij niet zag’, te stabiliseren in zijn hoofd. Zijn hoofdpijn verminderde van een stevig bonzen naar een wat zeurderige aanwezigheid. Zolang hij met zijn hoofd maar geen al te vlugge bewegingen maakte, viel het mee. De herinneringen kwamen terug en Stephen wist dat hij stevig in de penarie zat. De man met het litteken in de nek, de moordenaar van Suzy en zoveel anderen, had hem ontvoerd. Iedereen zou denken dat Stephen het vliegtuig naar New York had genomen, niemand zou vermoeden dat er iets verkeerds was gelopen. Hij was een vogel voor de kat en die kat heette Michael. Nog een ander vaststaand feit was dat hij vastgebonden was en niet weg kon. Hij was de gevangene van een seriemoordenaar en zijn leven hing aan een zijden draadje.
            Stephen probeerde te luisteren of hij iets hoorde. Men zegt soms dat zintuigen elkaar compenseren. Als je je ogen sluit dat je geur en smaak scherper of fijner worden. Stephen had het vroeger eens geprobeerd toen hij nog studeerde en dat was een regelrechte flop geworden. Toch was hij zich bewust van een geluid op de achtergrond. Heel zacht, een soort gezoem als van een bij, maar dan bijna niet hoorbaar of misschien zo gedempt dat het nauwelijks tot de ruimte die hij niet kon zien, binnendrong.
            Vreemd waar zijn gedachten naar toe sprongen. Nu besefte hij dat blind zijn heel erg was, misschien nog meer als je in je voorbije leven ooit had kunnen zien. Als je een tijd de schoonheid van de kleuren had mogen aanschouwen en dan voor een of andere reden, ziekte of ongeluk voor de rest van je leven in de donkerte van het niets moest staren. Nu hij zich nog meer inspande om iets te onderscheiden hoorde hij duidelijk dat er in het gezoem zelf een ritme zat. Het was een cyclus waar het geluid wat aanzwol en dan weer weg deinde en dan weer aanzwol. Je zou op de duur gek worden van een amper waarneembaar geluid waarop je je concentreerde als je het maar lang genoeg hoorde. Gelukkig was het geen druppen van water, daar kreeg hij pas de zenuwen van. Het deed hem denken aan zijn dorst. Hij likte zijn lippen en toen ging onverwacht het licht aan. Zo plots dat Stephen schrikkend zijn tong halverwege de beweging stilhield. Het was alsof hij zijn tong uitstak naar zijn ontvoerder maar dan zonder dat het de bedoeling was.
            Eerst zag hij amper wat. Verblind door het plotse licht sloot hij als reactie eerst zijn ogen. Te fel voor een man die uren na elkaar enkel maar echte diepzwarte duisternis had gekend. Langzaam opende hij zijn ogen en probeerde door zijn wimpers iets te onderscheiden. Eerst ging hem dat moeilijk af maar na korte tijd lukte dit wat beter. Nu bemerkte hij dat de muren van de kamer waarin hij zich bevond, gecapitonneerd waren met een soort geluiddempend materiaal. Daarom drong er geen geluid door van buiten of ‘bijna’ geen, buiten het gezoem van een soort generator. Stephen vermoedde dat er voor deze kamer een reden was. Men dichtte zomaar geen deuren en muren af. Dit betekende dat hij zich in de omgeving van andere huizen of appartementen bevond waardoor men gedwongen was deze maatregelen te nemen. Het kon niet anders dat dit wou zeggen dat er mensen in de dichte nabijheid woonden. Een sprankje hoop.
            Zo klein dat het direct verdween toen hij zijn eigen toestand bekeek. Hij was vastgemaakt aan een ketting. Zijn handen zaten in handboeien en de ketting liep door die boeien via het plafond in een gesloten ronde haak naar een andere haak rechtover Stephen die vastgemaakt was in de muur. Hij stond met zijn rug tegen het geluiddempende materiaal waarmee de kamer bekleed was en zijn voeten waren met een koord aan elkaar vastgebonden. Hij voelde zich als een boeienkoning maar dan zonder de sleutel. Een halve meter of zo voor hem stond een kommetje met water. Hij kon er enkel maar naar kijken, zelfs naar reiken was niet mogelijk. De ketting aan zijn handen gaf niet veel mee, zeker niet genoeg omdat hij zich zou kunnen buigen om bij de verlokkende inhoud van het kommetje te komen. Hij moest een hele tijd bewusteloos geweest zijn, want zijn maag knorde van de honger.
            Na een tijd zag hij een fijne uitsparing in de bekleding. Hij vermoedde dat daar een deur was, bekleed met dezelfde stof zodanig dat hij deze niet direct had gezien. Wanneer zou de moordenaar die deur binnenkomen en hoelang zou hij hem nog laten leven. Zou hij Stephen met zijn Nihonto direct de genadeslag geven of zou hij…Stephen begon in paniek te geraken. Zijn hoofd begon weer te bonzen doordat hij ongecontroleerde bewegingen maakte. Kalm blijven, Stephen dacht hij, als die man je aan het bespioneren is, mag je hem niet de voldoening geven dat hij je angst ziet. Stephen hield zich weer stil en staarde stil voor zich uit en toen ging het licht weer uit. Het gezoem viel ook stil en niet allen was het nu pikdonker het was nu ook muisstil. Zodanig griezelig stil dat Stephen zijn hart van angst hoorde kloppen in zijn borst.



……..



            Ik had een goede nacht gehad. Door de arbeid in de serre was ik als een blok in slaap gevallen in de logeerkamer van het huis van mijn ouders. Toen ik wakker kwam, waren mijn eerste gedachten wat verward. Even dacht ik dat mijn ouders nog leefden. Een steek ging door mijn hart wanneer na een paar tellen alles weer terugkwam. Het zou nog wel een tijd duren vooraleer ik zou aanvaarden dat ze er niet meer waren. De dood van de moordenaar zou er misschien iets toe doen, maar dat kon ze niet terugbrengen. Meer en meer begon ik mij af te vragen of wraak weliswaar in het begin zoet zou smaken, maar of die mij niet met een bittere nasmaak zou achterlaten?
            Toen dacht ik aan Stephen. Ik had hem al meer dan een dag niet meer gezien of gehoord. Ik nam mijn mobieltje en toetste zijn nummer in. Maar Stephen nam niet op. Misschien had hij het zijne niet bij, alhoewel ik dat betwijfelde. Het kon eerder zijn dat hij moe van de jetlag nog lag te slapen of een douche aan het nemen was om zich wat frisser te voelen. God, ik miste hem! Ik zou het later nog eens proberen.
            Gekko was mijn volgende slachtoffer. Die was zoals altijd wakker. Wanneer die sliep was zelfs voor mij een raadsel? Ik had hem vroeger nog op de vreemdste uren gecontacteerd en hij klonk altijd alsof hij bezig was. Na een heen-en-weergebabbel met onze gewoonlijk onderhuids steekspel van woorden kwam ik tot de essentie van mijn telefoontje. ‘En…voor wanneer is de actie gepland?’
            ‘Even wachten Yu…., ik wachtte dus zoals een gehoorzaam meisje normaal gezien doet als die tenminste Gekko kent. Meestal was er daar wel altijd een goede reden voor. ‘Oké, nu kunnen we veilig spreken. Je moet toch wat voorzichtiger zijn! Er zijn zoveel luistervinken in de ether dat je ervan zou schrikken, moesten ze plots allemaal zichtbaar worden. Maar het is een goede vraag en het antwoord daarop weet ik nog niet. Het hangt vooral af van de info die de Weerstand krijgt over de plaats, de nachtwakers en dergelijke. Op dit moment staat nog niets vast, maar lang zal het niet meer duren. Heb je Stephen al gehoord?’ vroeg hij plots van onderwerp veranderend.
            ‘Hé, neen, raar dat je daar aan denkt, ik had hem juist nog proberen te contacteren voor ik jou aan de lijn had, maar hij nam niet op. Maar ja, hij is misschien nog slaap aan het inhalen of misschien had hij zijn mobieltje niet bij.’
            Het bleef even stil aan de andere kant en dat maakte me wantrouwig. ‘Gekko, ben je daar nog?’
            ‘Ja hoor. Maar ik ben van nature nogal paranoïde als iets niet loopt zoals het moet lopen. Na al onze strubbelingen van de laatste dagen is dat niet verbeterd. Maar je zal wel gelijk hebben. Die westerlingen hebben een ander ritme en een andere cultuur waar wij ons nooit thuis in zullen voelen. Laat me zeker iets weten als Stephen resultaten boekt. Het kan altijd belangrijk zijn voor onze actie met de Weerstand. Je weet maar nooit.’
            Ik beloofde hem op de hoogte te houden en vroeg van hem hetzelfde, hoewel ik wist dat hij dit toch zou vergeten. Gekko was met teveel zaken bezig om zich te herinneren dat hij mij op de hoogte moest te houden of gelijk wie dat hem vroeg. Hij had zijn eigen agenda en dat was de enige die hij volgde. Hij had me nog verteld dat het daarom juist was dat hij nu nog leefde. Ik had hem nooit gevraagd wat hij daarmee bedoelde want ik vreesde altijd dat hij mij op een paar uur op een onbegrijpelijke uitleg zou trakteren waarmee ik op het einde van de uiteenzetting er nog minder zou van snappen dan ervoor. Soms vermoedde ik dat hij het express deed.
            Dan maar terug naar het dagelijkse werk. De serre was klaar voor nieuw leven. Was ik dat ook? Soms vroeg ik mij dat af? Voor mij was het een goede en nieuwe start. Ik had nog veel inkopen te doen. Mijn lijstje was eerder een waslijst geworden. Even vroeg ik me af of ik niet teveel hooi op mijn vork nam. Maar ik had een eigen wil en waaraan ik begon maakte ik zonder fout af. Vlug de autobot in en de dichtstbijzijnde florasupermarkt in de gps inspreken en ik nam ondertussen nog even de lijst door of ik niets vergeten had. Eerbare vader Arturo, ik wist niet dat tuinieren zo inspannend en tijdrovend was, dacht ik terwijl mij autobot mijn bestemming naderde.



……..


copyright Rudi J.P. Lejaeghere



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen