zaterdag 6 februari 2016

Een van de Wandelende Doden
















Als ik de warmte van de zon
Op een zonovergoten dag niet kan voelen,
Wanneer ik zo afgestompt ben
Dat ik mijn voeten niet voel
Zelfs als ik ze stamp op de grond
Tot er een gat in de aarde zit,

Wat ben ik dan,
dan een van de wandelende doden?

Zelf al zie ik de kronkelende maden niet
Die zich door mijn spieren en beenderen boren,
Zelf al kan ik het verlies niet gewaarworden
Van mijn gestroopte huid, mijn weggesmolten merg,
Ze zijn toch maar een camouflerend masker,
Een harnas van verval, een mantel waaronder ik verberg

Dat ik een van de wandelende doden ben.

Metsel me in de muur tot ik sterf,
Ontzeg me de lucht waardoor ik adem,
Strompel als een uiteenvallend lijk
Op het ritme van mijn zielloos hart,
Dan zal ik mijn naam in mijn eigen bloed
Op de achterkant van de bakstenen muur schrijven,
Samen met een vloek die me voor eeuwig gevangen houd,

Want er is maar een zwarte gedachte,
Die door mijn verdonkerde geest knaagt,
Want nu ben ik een van de wandelende doden,
En het brand ik mijn levenloze ogen,
Het is de nooit stillende honger naar:
‘Menselijk vlees!’

© Rudi J.P. Lejaeghere
06/02/2016  




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen