zondag 6 maart 2016

Chateau Rouge: Deel 1

Beste lezers,

Het langverwachte vervolg van 'De Vrouw in het Rood' is er aangekomen. Veel leesgenot.

Rudi J.P. Lejaeghere







CHATEAU ROUGE



Rudi J.P. Lejaeghere






1. De sekte

            Het licht tekende griezelige schaduwen op de stenen muren die de ruimte afbakende. In het onderaards gewelf brandden een tiental toortsen die in houders aan de beide zijwanden bevestigd waren. Het vertrek was onderverdeeld in twee delen. Het grootste van de twee was zowat twintig bij tien meter wijd en was gevuld met een veertigtal stoelen. Vooraan deze grote stenen zaal was een klein verhoog. Op dit tweede stuk van deze ruimte, niet meer dan drie meter diep, stond een laag altaar waarop het offer lag. Links op het podium stond een ijzeren vat met gloeiende kolen die het gewelf opwarmde.
            De gestaltes die één voor één stilzwijgend de zaal binnenkwamen zagen eruit als spoken. Bovenaardse wezens die in hun wijde paarse pijen en door het lichtspel van de vlammen vergroot op de muren werden geprojecteerd. Pas wanneer de veertig leden hun voorbestemde plaats hadden ingenomen, kwam de Meester binnen. Gekleed in een zwarte toga met sleep stapte hij langsheen zijn dienaren en besteeg het verhoog. Hij was zeker een kop groter dan de grootste onder zijn discipels. Toen hij de kap van zijn pij achteruit sloeg en zijn wilde rode haar losliet, dat zeker tot op zijn schouders viel,  was dit een teken voor de rest van het gezelschap om ook hun hoofd te ontbloten.
            De groep bestond uit zowel mannen als vrouwen van verschillende aard en etnische afkomst. De hoge jukbeenderen en rechte neus van sommige leden konden hun Kaukasische afkomst niet loochenen. De Amerikanen waren het lijvigst en sommige onder hen zouden zeker wat meer beweging en een streng dieet kunnen gebruiken. Enkele van de kleinste onder hen waren zonder twijfel afkomstig uit het Oosten, Japan en China of zelfs Korea. De Europeanen, sommige wat donker gekleurd, vanwege hun zuiderse roots, waren in de meerderheid.
            De vrouw lag naakt op haar buik op het stenen altaar en was aan voeten en handen gebonden. Niettegenstaande haar onfortuinlijke en vernederende positie bleek zij echter niet bang. Integendeel. Haar hoofd wat omhoog gericht, keek ze met dwepende ogen naar de man die ze als haar Meester en leider aanzag. Ze zou zoals iedereen in deze zaal, getekend worden met het merk van de Meester. Ze zou vanaf vandaag voor altijd van hem zijn. Haar leven legde ze in zijn vaardige handen. Handen die ze verafgode, net als de rest van zijn lichaam. Vandaag zou ze voor de eerste keer hem in zich voelen, zijn stempel krijgen, inwendig en ook uitwendig. Ze kon amper wachten voor het zover was.
            De menigte begon een ritmisch en vreemd lied te zingen. Woorden die deden denken aan duivels en demonen, woorden die godslasterend waren en mensonterend. Steeds luider klonken de stemmen van de vrouwen en mannen. Een opzwepend gezang dat mysterieus door de ruimte echode.
            De man met de zwarte pij trok met een paar geoefende bewegingen zijn pij over het hoofd. Onder dit kledingstuk had hij niets aan. Naakt zoals zijn schepper hem geschapen had en in volle opwinding, enerzijds door het zicht op de naakte vrouw op het altaar maar ook door het steeds luider wordende lied, kroop hij boven op de vrouw op het altaar.
            Bij het crescendo in het lied, nam hij zijn dienares tot zich als de zijne. Hard en ruw stotend, kwam hij in haar. Zonder zich te storen aan haar geschreeuw drong hij steeds dieper in haar op het ritme van het koor dat hem bezong,. Met een luide brul bereikte hij heel gauw zijn climax. Nu dat het eerste deel van de initiatie van de vrouw voorbij was, gleed een gelukzalige glimlach over het gezicht van de jonge vrouw. Zij ontving wat zij zolang verwacht had.
            Nadat hij zijn pij terug had aangetrokken nam hij de staaf die in het gloeiende ijzeren vat zat bij het houten handvat. Aan het eind van de metalen staaf zat een metalen stempel met drie kruisen op. Ieder gloeiend kruisje stond met zijn voet op de dwarsbalk van het onderstaande en vormde te samen het teken van hun gemeenschap. Met een wrede blik in zijn ogen drukte hij het teken op de linkerwang van het achterwerk van de jonge vrouw. De huid schroeide en een rokerige misselijk makende geur kwam van de huid los, terwijl een onmenselijke schreeuw de ruimte vulde.
            Het demonisch gezang was ondertussen zo luid uitgevallen dat de pijnlijke kreten van de vrouw in de klanken van het lied verdronk. Toen uiteindelijk het ritueel van de initiatie voorbij was, hief de Meester zijn armen in de hoogte. Direct viel het gezang stil alsof iemand de knop van de muziek had uitgedraaid.
            ‘Broeders en zusters,’ sprak de leider met een kordate en charismatische stem. ‘Aanschouw, jullie nieuwe zuster, gedoopt in mijn naam en mijn lichaam en met het teken van onze gemeenschap. Zij heeft hiermee trouw gezworen aan mij maar ook aan jullie, net zoals jullie ooit voorheen hebben gedaan. Vergeet het niet, dit is een eed op leven en dood. Wie ze breekt zal nooit meer veilig zijn tot hij of zij een verschrikkelijk dood zal sterven door mijn hand. Wie de eed houdt, zal beloond worden, zowel in dit leven als dat na onze dood. Mijn rijkdom, mijn macht is van en voor jullie, zolang je leeft in mijn schaduw.’
            De menigte antwoordde automatisch met het credo dat ze al honderden keren hadden uitgesproken. ‘Wij erkennen maar een Meester en dat bent u, Heer van de Zwarte Ridders. Wij willen lang en gelukkig leven in uw schaduw en in de glorie van de gemeenschap van onze broeders en zusters, Kinderen van de Zwarte Ridder.’
            Tevreden met de vernieuwing van hun geloof, glimlachte de roodharige man terwijl hij de vrouw op het altaar losmaakte en zonder enige moeite rechtop trok. Met vlammende ogen keek hij haar aan en sprak haar met liefdevolle woorden toe.
            ‘Jezebel, vandaag in mijn naam terug geboren, krijg je een speciale taak toegewezen. Je zal je als een wolf maar vermomd als een schaap onder de  echte schapen begeven. Niemand zal weten wie of wat je werkelijk bent, wie je gehoorzaamt. Onze groep en jij speciaal zal onze naam weer groot maken zodanig dat we weer kunnen opeisen wat van ons was en altijd geweest is. Vandaag zend ik jou uit, Jezebel, zoals ik al zovelen uitgezonden heb voor jou. Ga en maak hen en zij die meeheulen onder hun huis kapot van binnen uit. Wees sluw en werp verdenking op het goede, want de Zwarte Ridder zal zegevieren.’ Hij duwde haar een papier in de hand dat zij met een wat pijnlijk vertrokken gezicht las. Ze had nog nooit gehoord van dit oord, maar ze zou doen zoals hij verwachte van haar.

© Rudi J.P. Lejaeghere

09/10/2015


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen