zondag 17 april 2016

Chateau Rouge: Deel 6




















6. Waar rook is, is er vuur


         Zowel Jean-Pierre als Katarina waren ondersteboven toen ze het verhaal van Marie-Anne hadden gehoord. Het had haar veel moeite gekost om de waarheid te vertellen en ze zagen beiden dat Jean-Pierre’s zuster zich echt schuldig voelde aan de executie van haar echtgenoot.
            ‘Ik kan dit moeilijk goedkeuren, zus, maar ik kan wel begrijpen dat een mens tot het uiterste getergd wordt, zodanig dat zijn stoppen doorslaan. Ik heb begrepen dat je leven in gevaar was nadat je de werkelijkheid achter Gerry Oldman ontdekte. Je beoordelingsvermogen was ernstig beïnvloed door je situatie. Ik kan niet zeggen wat ik zou gedaan heb in je plaats, gezien ik de omstandigheden moeilijk kan inschatten.’
            Een flauw lachje verscheen op de mond van zijn zuster, die getroost werd door Katarina. Ze had Marie-Anne een zakdoek geleend om haar tranen van berouw te drogen.
          ‘Je moet je geen zorgen maken, Marie-Anne,’ sprak Katarina in antwoord op haar partners reactie. ‘Wij gaan je niet aangeven. Je kan hier blijven zolang je maar wil tot je een onderkomen naar je zin hebben gevonden. Die man van je, al heb ik hem nooit gekend, is beter af dood dan levend.’
          Jean-Pierre merkte de hardheid in de stem van zijn vriendin op en trok even verbaasd de wenkbrauwen op. Sinds haar moeder door indirect toedoen van de Generaal gestorven was, had ze een hard kantje gekregen. Eigenlijk bewonderde hij haar veerkracht na wat ze allemaal doorstaan had. Toen hij Katarina die harde woorden hoorde uitspreken, besefte hij dat hij dezelfde gedachte reeds door zijn hoofd was geschoten. Ja, ze waren beiden harder geworden.
       Toen ze het geschreeuw hoorden, wisten ze even niet wat er gebeurden, al konden ze de woorden goed verstaan. ‘Brand! Er is brand!’
           Katarina keek even verschrikt naar Jean-Pierre en sprong daarna direct recht terwijl ze gevolgd door haar vriend en zijn zus in de richting liep van het geluid. De meeste van de werknemers hadden ook het geroep gehoord en liepen in de richting van de portierswoning. Dit was een aanbouwsel van het kasteel, die gebruikt werd door de conciërge die ook als nachtwaker dienst deed.
            Door de grote ruiten van de hal, die een goed zich gaven op het gebouwtje, zagen ze dat er een zwarte rook via een paar ramen naar buiten kwam. Er had zich al een rij mensen gevormd, die emmers water aan het doorgeven was om via de kapot gesprongen vensters binnen te werpen op het vuur. Het was duidelijk dat dit niet genoeg zou zijn.
            ‘Is de brandweer al verwittigd?’ riep Katarina, bijna in paniek, naar een paar mensen die ze herkende. Ze herpakte zich toen de eerste blussers bevestigend knikten. Toen hoorde ze in de verte al de sirene van de aanstormende vuurrode brandweerwagens.
       Het was voor de professionele brandweermannen, gekleed in hun zwarte pakken met fluorescerende gele strepen en zilvergrijze glimmende helmen een klein kunstje om de vuurhaard te blussen. Met het grote materieel dat ze hadden meegebracht en de verschillende waterslangen die onder hoge druk het water op het kleine huisje spoten, duurde het niet lang vooraleer alle vlammen geblust waren. Men was juist op tijd geweest om een grotere ramp te vermijden.
            De commandant van de pompiers was met een assistent het huisje binnen te gaan om de schade op te nemen, nadat ze zich ervan vergewist hadden dat het veilig was. Katarina stond met Jean-Pierre aan haar zijde te wachten op het verdict van deze mannen. Gelukkig was op het eerste gezicht de schade beperkt gebleven tot de kleine aanbouw.
            Katarina zag dat de rest van de pompiers alles aan het opruimen was en het materiaal terug aan het wegbergen was in de brandweerauto’s. Er zou zelfs niet nageblust moeten worden. Dat had de commandant hen al verteld. Ze zag de stevig uit de kluiten gewassen leider van de brandweer het huisje buitenkomen en wist direct dat er iets niet in orde was. De man bleef nog wat praten met zijn assistent maar kwam dan uiteindelijk hun richting uit.
         ‘Barones, ik zal helaas de politie moeten inschakelen. We hebben binnen een leeg blik gevonden waar volgens ons onderzoek brandversneller moet in gezeten hebben. Deze brand is geen ongeluk maar moedwillig aangestoken. Mijn collega heeft hen ondertussen al op de hoogte gebracht omtrent deze zaak. Het zou aangeraden zijn dat niemand het domein van het kasteel verlaat. Ik vermoed dat de inspecteur iedereen zal willen verhoren.’
       Katarina was duidelijk geschrokken door de mededeling van de brandweercommandant. ‘Bedoelt u dat de dader iemand van mijn personeel kan zijn?’ Haar stem was fluisterend alsof ze bang was dat de dader in haar nabijheid kon staan. Haar ogen schoten ook heen en weer terwijl ze Jean-Pierre krampachtig bij de arm nam alsof ze steun zocht.
            ‘Misschien is het toch een ongeluk, commandant,’ sprak Jean-Pierre. ‘Wellicht heeft de conciërge dat blik daar achtergelaten omdat hij het nodig had bij een of ander werk. Wie weet, je zoekt het misschien te ver. Vooraleer we mensen gaan beschuldigen, zouden we beter die persoon eens ondervragen.’
             De brandweerman knikte. ‘Voor mij geen probleem, mijnheer. Maar dat is niet mijn werk maar die van de politie. Mijn job zit er op. Als je wil excuseren, ik moet nu wat papierwerk gaan verrichten omtrent dit incident en mijn verslag klaar hebben voor de dienstdoende inspecteur. Hopelijk blijft u gespaard van … meer ongelukken.’
   De uitdrukking op het gezicht die de man bij deze laatste woorden voegde, toonde dat hij dacht dat de brandstichter het hierbij niet zou laten. Zowel Katarina als Jean-Pierre hadden dit goed begrepen en de schrik sloeg hen al om het hart. Was het nu wel verstandig om het feest te laten doorgaan?

© Rudi J.P. Lejaeghere

14/12/2015


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen