zaterdag 30 april 2016

Chateau Rouge: Deel 8


























8. Min of meer verdacht     


            Commissaris Leclercq was formeel en onvermurwbaar. Jean-Pierre moest mee met hem naar het hoofdkantoor. Niettegenstaande hij voorlopig geen reden had om over te gaan tot een arrestatie vond hij de sjaal en de plaats van de misdaad min of meer verdacht.
            ‘Routine, Mevrouw de Barones,’ antwoordde hij Katarina. ‘We willen in alle sereniteit een aantal zaken op een rijtje zetten. Misschien weet uw vriend Jean-Pierre onbewust iets dat hem nog te binnen moet schieten. Met de technische recherche die hier op twee plaatsen in het kasteel rondloopt, wordt het een heksenketel. Op het kantoor is het rustig. Je mag gerust meerijden, alhoewel u niet bij het verhoor zelf aanwezig mag zijn. Misschien is het zelfs beter op die manier. Zijn eerste indrukken moeten persoonlijk zijn en niet gekleurd door opmerkingen van andere getuigen. Als u begrijpt wat ik bedoel.’
            Katarina knikte enigszins aarzelend. Ze wist niet wat ze er moest van denken. Behandelde Leclercq, Jean-Pierre nu als een verdachte en wou hij hem na verhoor toch nog arresteren? Of meende hij wat hij beweerde over de beïnvloeding van haar vriend zijn getuigenis? Ze kende de politieman amper. Katarina had Cecile’s  vriend François wel al horen spreken over de man maar ze had hem voordien nog nooit ontmoet.
            ‘Misschien hebt u wel gelijk, Commissaris. Ik wou dat ik mee kon gaan, maar ik denk dat ik beter blijf om alles in goede banen te leiden gedurende de periode dat uw mannen en de technische recherche bezig zijn.’
            Leclercq knikte en zwaaide om zijn adjunct. ‘François, wil jij de auto voor rijden. Ik ga met mijnheer Jean-Pierre naar het hoofdkantoor om het een en ander uit te praten. Jij redt je hier wel verder. Je kent het klappen van de zweep en het wordt tijd dat je op eigen benen staat. Ik veronderstel dat je wel kan meerijden met iemand na de werkzaamheden hier.’
            François knikte en verdween om hun wagen te halen, waarmee Jean-Pierre en de oudere politieman naar hun hoofdkwartier zouden rijden.
            Jean-Pierre omhelsde nog even Katarina en stelde haar gerust. ‘Ik ben gauw terug. Ik begrijp deze mensen. We moeten er alles aan doen om de dader van deze misdaad te vinden en hem zo vlug als mogelijk bij zijn lurven te vatten.’ Hij gaf zijn zus, Marie-Anne, nog even een vlugge zoen op haar wang. Zij stond er wat beteuterd bij te kijken, overweldigt door het optreden van de Franse politie en het onverwachte vertrek van haar broer.
            De wagen, een Renault Mégane III, werd door de jonge politie-adjudant voorgereden en Leclercq nam zijn plaats in, alhoewel die zich wat moeilijk achter het stuur van de snelle auto nestelde. Jean-Pierre kende iets van auto’s en wist dat deze wagen theoretisch gemakkelijk meer dan 200 km/h kon rijden en een snelheid van 100 km/h in minder dan 6 seconden kon halen. De motor met een 265 pk was heel krachtig. Hij was alleen niet zeker van de rijkunsten van deze oudere politiecommissaris toen hij zag dat de man zelfs moeite had om zijn veiligheidsgordel vast te maken. Hij kon echter moeilijk vragen of hij zelf mocht rijden.
            Toen scheurde Leclercq weg met de Renault en Jean-Pierre ondervond direct dat de man een ervaren piloot was. De politieman hield zich blijkbaar niet aan de snelheidslimieten en sneed als een doorwinterde racepiloot de bochten af, terwijl hij amper zijn voet op de rem plaatste. Jean-Pierre slikte even en hield zich krampachtig vast aan zijn zetel. Vooraleer ze op de snelweg kwamen, moesten ze een strook van bos door waar de weg door meanderde. Een prachtig stukje groen die deze keer aan hem voorbijging zonder dat hij er iets van merkte.
Halverwege na een bocht, moest de inspecteur met zijn volle gewicht op de rem staan. Een fiets lag midden op de weg en zou zeker voor schade aan het chassis gezorgd hebben moest hij er losjes zijn over gegaan. Gelukkig kwamen ze met piepende remmen op een afstand van een halve meter van het vehikel tot stilstand.
Jean-Pierre had onbewust zijn adem ingehouden, maar liet nu toch zijn verontwaardiging blijken. ‘Ik weet dat jullie tijd geld waard is, maar het is toch voor niets nodig om ons naar het hiernamaals te helpen door veel te snel te rijden.’
De commissaris had niet geluisterd naar zijn klaagzang. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegel en links en rechts van hem. Wanneer hij de auto in zijn achteruit zette kreeg hij een grimmige uitdrukking op zijn gezicht. Nu keek Jean-Pierre nog meer verbaasd. Hij dacht dat de politieman een geest had gezien.
Toen hij echter twee gemaskerde mannen van weerszijden hun personenauto uit het bos zag komen met een machinegeweer in de aanslag, wist hij waarom Leclercq vloekend probeerde te ontkomen aan de overvallers.
Er vielen verschillende schoten waardoor de auto werd geïmmobiliseerd. Jean-Pierre hoorde nog even het scheurend geluid van de wielen waarvan de banden lek waren geschoten. Toen werd het stil.
‘Wat is er gaande, commissaris?’ riep hij, maar toen er geen antwoord kwam van de man keek hij naast zich naar de bestuurder. Een kleine hoeveelheid bloed liep uit de half open mond van de politieman. Een grotere bloedvlek kleurde rood ter hoogte van zijn buik. De man was dodelijk getroffen en keek met een troebele blik voor zich uit, niettegenstaande hij nog oppervlakkig ademde.
Vier mannen, twee die via de achterzijde van de auto naderden en die de andere twee mannen vergezelden die hadden geschoten, openden de deuren.
‘Wat betekent dit? Neem alles, ons geld of de auto, maar bel alstublieft een ambulance of jullie hebben een moord op jullie geweten.’ Jean-Pierre dacht op dit penibele moment enkel en alleen maar aan de zieltogende politieman. Zonder help zou deze binnen de kortste tijd sterven.
‘Mijnheer Jean-Pierre, stapt u zelf uit of moeten wij u eruit sleuren? Aan u de keus.’
Jean-Pierre wou nog iets zeggen, maar een kogel die langs zijn hoofd scheurde en de zijruit aan zijn kant aan diggelen schoot, deed hem figuurlijk zijn woorden inslikken. Hij stapte vlug uit de wagen.
Een van de mannen trok hem een zwarte kap boven het hoofd en boeide de handen van een geschrokken Jean-Pierre achter zijn rug. Hij hoorde het geluid van een terreinwagen. Jean-Pierre werd direct met ervaren handen op de achterbank van deze SUV gedeponeerd. Het verwonderde Jean-Pierre dat hij amper angst voelde. Zijn woede om de laffe behandeling van de commissaris deed hem knarsetanden. Hij vreesde voor het leven van de man die hem voordien nog als een mogelijke verdachte had behandeld.

© Rudi J.P. Lejaeghere
17/01/2016



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen