maandag 9 mei 2016

Chateau Rouge: Deel 9





















9. Heer en Meester


            Langzaamaan ebde Jean-Pierre’s woede weg en maakte plaats voor een gevoel van onbehagen. Dit was geen gewone overval. Hij had de mannen zijn naam horen noemen, dus wisten ze wel wie ze in handen hadden. Ze hadden het niet op de auto, geld of zelfs op de commissaris voorzien. De gemaskerde mannen hadden het op hem voorzien. Maar wat kon hij voor hen betekenen?
            Niettegenstaande hij verveeld zat met wat er met de politieman was gebeurd, moest hij proberen zijn koelbloedigheid te bewaren. Er was al teveel tijd voorbijgegaan waarbij hij zich amper op de weg had geconcentreerd. Hij wist niet in welke richting ze reden. De zwarte kap waar hij geen spiertje licht kon doorzien, was daar natuurlijk ook een van de belangrijkste redenen voor.
            Hij vuurde verschillende vragen op de ontvoerders af. ‘Voor wie werken jullie? Wat willen jullie van mij? Ik ben niet speciaal heel rijk, als jullie mij bij naam kennen, zouden jullie dat moeten weten. Waar brengen je me heen?’
            Niemand antwoordde en de schrik begon zich nu pas te manifesteren. Hij kreeg het koud en begon te klappertanden, zowel door de temperatuur als de omstandigheden. Wat zou Katarina denken als ze het hoorde van de overval? Zou er op tijd hulp komen voor de gewonde Leclercq?
            Hij had amper een gevoel voor tijd en richting en na een hele poos, het kon een uur of misschien zelfs twee uur geweest zijn, hoorde hij het knarsen van de wielen op steenslag toen ze halt hielden. Hij werd met lichte drang uit de terreinwagen gehaald en men leidde hem binnen een gebouw. Hij hoorde en voelde het aan de stappen die hij zetten. Een deur viel achter hem toe en eerst klonken de geluiden alsof ze in een ruime hal stonden. Daarna hoorde hij een ander soort lawaai. Grendels of sloten die werden opengedaan leek het hem.
            Men duwde hem vooruit. Gelukkig had de man achter hem geweten wat het effect hiervan zou zijn. Anders zou hij de trap zijn afgedonderd. Zijn begeleider hield hem echter vast bij de arm, zodat hij voetje voor voetje de trap af kon dalen. Er volgde een lange rechte gang of hij dacht toch dat het een gang was. De geluiden klonken hier heel wat gedempter en bij verschillende gelegenheden voelde hij een muur links van hem. De man die hem vasthad bij de arm, moest een paar maal achter hem gaan lopen. Hij veronderstelde dat de gang nauwer werd op sommige plaatsen.
            Uiteindelijk deden ze een deur open, duwde men hem binnen in een soort van ruimte en werd daar op een stoel gezet. Zijn boeien werden losgemaakt en de zwarte kap van zijn hoofd getrokken. Hij moest even met zijn ogen knipperen, want hij had niet verwacht dat er een lamp op hem gericht zou zijn. De felle schijn van dit licht maakte het moeilijker om zijn omgeving op te nemen. Deze mensen deden er alles aan om het hem op die manier moeilijk te maken te weten waar hij zich bevond.
            Toen zag hij toch dat het een kleine gebetonneerde ruimte was en heel spaarzaam gemeubileerd. Naast de stoel waarop hij zat stond er die ene staande lamp die op hem was gericht bevond zich daar nog een wat zwaarder bureaumeubel met een stoel erbij.
Hij veronderstelde dat dit de plaats zou zijn waar hij ondervraagd zou worden. Hij wist totaal niet wat hij hen van informatie zou kunnen verschaffen. Misschien was dit toch een vergissing, hoopte hij stiekem, en zou hij na zijn uitleg losgelaten worden. Hij schudde bijna direct zijn hoofd, ontkennend wat hij juist had gedacht. Die mensen wisten wie ze in handen hadden. Er zat een duidelijk reden achter deze feiten. Hij kon enkel wachten tot men hem hierover meer had verteld.
            Het duurde niet lang vooraleer hij geluid hoorde aan de deur waarlangs hij binnen was gebracht. Hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen. Zijn ogen gingen nog wijder open toen hij de man de plaats zag binnenkomen.
            Jean-Pierre veronderstelde dat het een man was, want hij kon moeilijk onder de zwarte pij kijken die hij droeg. Wat betekende dit circus allemaal? Hier bestond toch geen Ku Klux Klan of toch? Neen, die droegen witte pijen voor zover hij het zich herinnerde. Deze man had een zwarte pij aan met een lange sleep en nu hij hem wat dichter zag, bemerkte hij dat hij een teken op zijn pij had. Drie kleine kruisjes in het rood, telkens met hun voet op de dwarsbalk van de onderstaande. Hij had nog nooit van zo’n orde of sekte gehoord. Vier andere trawanten volgden hun meester maar die waren in paarse pijen met hetzelfde teken getooid.
            ‘Welkom, Heer Jean-Pierre,’ sprak de leider. Jean-Pierre luisterde naar een diepe warme baritonstem die hem toesprak. De man kon zowel dertig jaar oud zijn, maar voor hetzelfde geld was hij vijftig. Je kon niet altijd een leeftijd op een stem plakken. In dit geval toch zeker niet.
            ‘Wie bent u, waarom hebt u mij…!’ Jean-Pierre kon zijn vraag amper vervolledigen want een van de paarse trawanten van de gemaskerde leider had hem een slag in zijn gezicht gegeven.
            ‘Zwijg als de Heer en Meester u aanspreekt, spreek als hij u gebiedt te spreken.’
            Jean-Pierre was een goede verstaander en had eigenlijk maar een half woord nodig om te begrijpen dat hij beter zou doen wat men hem aanraadde als hij het zonder kleerscheuren zou willen doorstaan.
            ‘Beste Jean-Pierre, u kent me niet en het zou van mij ten zeerste onverstandig zijn om mijn echte naam te geven. Je mag mij Meester noemen want ik ben de Meester van de Kinderen van de Zwarte Ridder. U waarschijnlijk totaal onbekend als ik uw gezichtsuitdrukking interpreteer.’
            Jean-Pierre had zijn wenkbrauwen gefronst toen hij de titel van man had gehoord. Het werd gekker en gekker. Wat had hij met een sekte te maken en wat wilden ze van hem. Hij liet het echter na om de vraag te stellen, want hij zag dat de man die hem eerder had geslagen nog altijd in zijn nabijheid stond.
            ‘Ik veronderstel dat u met vragen zit en mij noch mijn dienaren kent. Ik ga u echter niets vertellen over wie of wat we zijn. We zijn zolang onder de radar gebleven dat ik dat nu niet voor een niemand ga riskeren. Wees gerust, van jou wil ik niets. Voor een bepaalde korte tijd kende ik je niet eens, wist niet eens van je bestaan af.’ De man lachte even kort toen hij Jean-Pierre nog meer verrast zag kijken.
            ‘Misschien dat ik, vooraleer ik je dood want…, wees ervan overtuigd dat je hier niet levend uitkomt, je een glimp van de waarheid zal gunnen. Alhoewel ik dan eerst de echte reden waarvoor je uiteindelijk hier bent beland in mijn handen moet krijgen. Maar niet vooraleer deze persoon de helste pijnen en angsten heeft uitgestaan, mijn beste Jean-Pierre. Weet je over wie ik het heb?
            Jean-Pierre, helemaal bleek in zijn gezicht, geschrokken om de mededeling van zijn doodvonnis, trok aarzelend de schouders op.
            ‘Je moet niet heel ver zoeken, beste man. Je deelt sinds een tijdje het bed met haar. Barones Katarina is diegene die ik wil zien boeten.’

©  Rudi J.P. Lejaeghere
17/01/2016




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen