zondag 5 juni 2016

Chateau Rouge: Deel 13




















13. Geluiden in het bos


            Katarina geloofde niet wat de vreemde stem haar had verteld gedurende het verontrustende telefoongesprek. Wel dat de man aan de andere kant haar hartgrondig haatte en dat hij haar dood wou, echter niet dat hij Jean-Pierre zou sparen. De kerel verkneukelde zich in de angst en pijn die haar kon toebrengen, psychologisch door het bericht die hij doorgegeven maar waarschijnlijk ook in het vooruitzicht wat hij met haar zou doen.
            Zij had zich haar hoofd erover gebroken om uit te denken wie hier achter kon zitten. Haar moeder had tijdens haar leven wel een aantal vijanden gemaakt. Gezien haar beroep kwam ze veel te weten over sommige gewichtige personen en dat had haar macht over hen gegeven.
Sommige bezoekers van het Chateau konden daar moeilijk mee omgaan, maar daar had Barones Beatrice steeds korte metten meegemaakt. De toegang tot al de verlokkelijke seksuele genoegens werd hen met de strengheid die haar eigen was, direct ontzegd. Er waren een paar van de jongens die in dienst bij haar in dienst waren, die als buitenwippers fungeerden in die gevallen. Gezien de macht en de kennis die Beatrice bezat over hen gaf dit normaal geen consequenties voor het Chateau en zijn bewoners.
Toen dacht ze aan Vincent Beau, de gangster die haar moeder had vermoord. Het kon natuurlijk zijn dat iemand in zijn entourage wraak aan het nemen was om het feit dat Katarina en Jean-Pierre aan de basis lagen van zijn dood. Ze wist dat in de nasleep van hun avonturen het grootste deel van de bende waartoe hij behoorde was opgerold. Het was wellicht perfect mogelijk dat er nog iemand over het hoofd werd gezien.
Ze dacht aan de Generaal. Misschien dat die haar raad zou kunnen geven, wellicht kon hij haar helpen, maar ze had geen tijd om hem in te lichten. Ze had trouwens niet de luxe om met het leven van iemand anders te spelen. Het leven van haar zielspartner waar ze zoveel van hield. Neen, ook die mogelijkheid schreef ze af.
Haar plan was heel simpel. Ze zou zich in een hinderlaag leggen, niet ver van de open plaats in het bos. Ze kende een goede plek, waar het struikgewas wat dichter was en waar ze een goed zicht had op de uitgang van de geheime gang. Gewapend met haar geladen Sig Sauer zou ze proberen om haar tegenstanders te ontwapenen. Ze was misschien niet ervaren in vuurgevechten, maar ze had het voordeel van de verrassing.
Niemand zou verwachten dat ze op die manier weerwerk zou leveren. Mannen zouden nooit veranderen, keer op keer onderschatten ze de mogelijkheden van een vrouw. Die macho’s van een gangster zouden haar het zwakke geslacht vinden. Hoe zwak ze was zouden ze aan den lijve ondervinden.
Ze had haar zuster gerustgesteld dat ze François vertrouwde en dat ze op zijn middelen en collega’s rekenden om Jean-Pierre op te sporen. Ze had haar nog eens extra geknuffeld, beseffende dat het de laatste keer kon zijn. Ze had ook een brief geschreven met alle uitleg en met de opdracht aan de notaris om haar bezittingen over te hevelen naar Cecile als ze zou sterven. Katarina had ook gezorgd voor Marie-Anne’s financiële toekomst. Ze zou niet berooid achtergelaten worden. Haar gedachten waren helder, ze was klaar om te sterven als het nodig was.
Toen was de tijd aangebroken om naar haar schuilplaats in het bos te gaan. De avond zou gauw gaan vallen. Ze vertrok te voet langs de achterkant, de uitgang waarlangs het personeel binnenkwam en wegging.
Ze had zich gekleed in een donkere jumpsuit en een zwarte jekker. Haar zwarte haar had ze vastgemaakt en onder een skimasker verborgen. Ze had genoeg films gezien om te weten dat het minste stukje huid kon opvallen. Ze had een champagnekurk boven een kaars gehouden, tot er een laagje roet op kwam en stak die, nadat hij afgekoeld was, in een binnenzak. De weinige plekjes die nog van haar huid die nog te zien waren in het donker zouden straks nog een beurt met het kurk krijgen.
Een kwartier later bereikte ze de plaats waar ze zich behoedzaam een schuilplaats voor zichzelf zou maken. Vooraleer ze deze plaats bereikte, had ze een aantal keer stil blijven staan en goed geluisterd. Ze hoorde niets, maar ze nam het zekere voor het onzekere en bleef op haar hoede. Met haar zwarte laarzen stapte ze wat struikgewas plat en legde haar donkere regenmantel die ze ook had meegebracht op de grond. Dit zou het wat zachter maken, terwijl ze wachtte.
Met het beroete kurk smeerde ze een zwarte laag rond haar ogen en mond en haar handen kregen ook een beurt. Het zou voldoende moeten zijn, straks als het volledig donker was, zou niemand haar nog zien. Ze had nog iets voorbereid dat haar op een of andere manier het voordeel van de situatie kon geven. Ze wist niet waar die kerel of zijn trawanten zich zouden opstellen. Als ze slim en geroutineerd waren, zouden ze zich ook geluidloos en onzichtbaar achter iets verstoppen. Ze moest hen uit hun schuilplaats lokken.
Uit de zak van haar regenmantel haalde ze een donkergroene wasdraad. Ze wandelde behoedzaam naar de verscholen uitgang van de geheime gang en bevestigde de draad aan een van de hendels van de deur. Katarina zorgde ervoor dat de deur uit het slot was en gemakkelijk door de draad kon opengetrokken worden. Via een paar bomen aan de rechterkant van de deur spande ze de draad tot aan haar schuilplaats. Ze testte een paar keer haar afleidingsmaneuver en de deur kwam telkens zowat een tiental centimeter open, toen ze aan de draad trok. Het zou voldoende zijn, hoopte ze om hen iets te laten doen, iets dat hun schuilplaats zou verraden en daar had ze genoeg aan.
Ze had geluk, want het was nog maar juist volle maan geweest. Niettegenstaande het hemellichaam een klein partje van zijn lichtbol reeds had weggemoffeld, was het een wolkeloze avond. Ze had daardoor een prachtig uitzicht op de open plaats van op de plek waar ze verscholen zat. Katarina nestelde zich zo goed als ze kon en probeerde zich te ontspannen. Haar adrenaline niveau was heel hoog en ze stond bijna te springen om in actie te komen. Straks zou ze misschien niet meer durven. Maar wanneer ze aan Jean-Pierre dacht, begon er een gevaarlijk vuur in haar te branden. Ze was bang dat iemand die vlammen in haar ogen zou zien en sloot even haar ogen, terwijl ze trager begon te ademen. In, twee drie vier. Uit, twee drie vier.
Met haar ogen toe, haar ademhaling onder controle begon ze de geluiden van het bos te onderscheiden. Een eekhoorn die z’n slaapplaats opzocht of een of andere voedsel aan het verstouwen was. Een muis die links van haar door het struikgewas trippelde. Het kon misschien ook een rat zijn, maar niettegenstaande Katarina geen voorliefde had voor knaagdieren, vond ze het deze keer een van de mindere zorgen. Ze hoorde een uil roepen, klaar voor zijn aanval op deze knaagdieren. Toen ving ze iets op die niet echt hoorde bij de natuurlijke geluiden die ze zopas had opgevangen.
Het afstrijken van een lucifer en even, even maar zag het gloeiende eind van een sigaret. Ze zag dat de persoon vlug de gloed verborg in zijn hand en het werk weer donker. Nu rook ze ook de geur van de sigaret. Even dacht ze grimmig dat roken dodelijk was voor je gezondheid. De man zou het straks aan de lijve ondervinden hoe dodelijk. Ze liet hem nog even wachten. Als een ter dood veroordeelde om een laatste sigaret vraagt, geef je die hem toch.
Een tweetal minuten later begon ze wat spanning op de draad te zetten en de deur begon zich automatisch wat te openen. Daar ze voorheen, vooraleer ze het kasteel had verlaten, het licht had aangedaan in de onderaardse gang, kwam er een spleet kunstlicht tevoorschijn. Het geluid van de knarsende deur deed de man bewegen. Hij bleef echter in het duister van de bomen.
Ze probeerde nog een tweetal keer hetzelfde maneuver. Zou de man stalen zenuwen hebben en blijven staan? Ze had van de plaats waar ze lag geen zuiver zicht op zijn schuilplaats. Een schot kon gemakkelijk zijn doel voorbijgaan en ze twijfelde er niet aan dat hij ook een goede schutter was. Het voordeel van de verrassing zou voorbij zijn en ze zou een vogel voor de kat zijn.
Maar de vis beet dan uiteindelijk toch in het aas. Met het wapen in de aanslag begaf hij zich in de richting van de dubbele deur die een aantal keer had bewogen. In het licht van de maan zag ze de gefronste blik van de man. Hij begreep niet dat de deur van de uitgang van de geheime gang niet openging. In een wijde boog ging hij, zoveel mogelijk buiten de gezichtskring van wie dan ook door de deur zou komen, dichterbij. Op die manier kwam hij ook dichterbij Katarina’s schuilplaats.
Het was nu of nooit. Ze had niemand anders ontwaard. De man was alleen gekomen. Het moest de man van aan de telefoon zijn. Plots besloot ze om niet te schieten om te doden, hij was alleen en kon haar informatie geven waar Jean-Pierre zich bevond. Misschien, heel misschien kon ze haar vriend op die manier redden.
Ze mikte op zijn hand met het wapen. Van deze afstand wist ze dat ze niet kon missen. Ontwapend zou ze de man dan wat vragen stellen. Als hij niet zou antwoorden zou ze eerst zijn knieën onder handen nemen en dan zag ze wel, wat ze nog kon beschadigen zonder zijn leven te nemen. Ze kon achttien vragen stellen. Na het eerste schot, waren er immers nog achttien kogels over in het magazijn. Haar vinger kromde zich rond de trekker en bij de volgende uitademing was ze van plan te schieten.
Er klonk een schot, maar Katarina keek verbaasd toen de man rond zijn as tolde en neerviel. Voor ze had kunnen schieten, had het schot geklonken. Iemand anders had de man neer gekogeld.
Haar verbazing veranderde echter in doodsangst toen ze de nog warme loop van een wapen in haar nek voelde.
‘Werp dat wapen weg, naar rechts in dat struikgewas. Nu!’ De stem klonk gedempt. De persoon droeg een of ander ding voor zijn mond zodanig dat Katarina niet kon uitmaken of het de stem van een man of een vrouw was.
‘Je bent moedig, Katarina, dat moet ik je toegeven. Maar dit zijn mensen waarmee je best niet mee in aanraking komt. Trouwens, ik weet dat je geen moordenaar bent. Iemand doden is een ingrijpende gebeurtenis die altijd littekens achterlaat.’
Katarina fronste verbaasd de wenkbrauwen zonder dat ze zich anders bewoog. Wie was diegene achter haar die ingegrepen had en gezien haar woorden kende deze persoon haar?
‘Wie ben je? Je hebt alles om zeep geholpen, die man kon vertellen waar mijn vriend was. Nu heb je hem gedood en daarmee misschien ook mijn vriend.’
De loop van de revolver duwde even tegen haar nek waar zich de hersenstam bevond. ‘Als ik goed heb gemikt, zou die man niet dood mogen zijn. Ernstig gekwetst, ja, maar als je om hulp belt, kan de politie hem ondervragen en kan je Jean-Pierre nog redden. Wees dankbaar dat ik je in het oog heb. Ik heb je vandaag kunnen helpen om je ziel te bewaren, maar misschien kom ik de volgende keer te laat. Doe geen domme dingen, Katarina.’
Ergens wist Katarina dat deze persoon het goed met haar voorhad. Het wapen in haar nek was enkel een middel om de anonimiteit van de schutter te bewaren.
‘Blijf hier een vijftal minuten liggen, die man gaat er niet vandoor, maar ik heb nog werk te doen. Ik kan geen jonge Barones in mijn kielzog gebruiken. Misschien tot een volgende keer, Katarina.’
Katarina bleef stokstijf liggen, kijkend naar de man die inderdaad nog bewoog, maar voorlopig geïmmobiliseerd was. Het duurde niet lang vooraleer ze niets meer hoorde en voorzichtig achter zich keek.
De schutter was verdwenen, opgeslokt door de nacht. De gewone natuurlijke geluiden van het bos bereikten terug haar gehoor. Niets abnormaals, ze hoorden er thuis. Met uitzondering van het kreunen van haar belager die ze nu ook hoorde. Ze stond recht en met een grimmige blik op haar zwarte gezicht naderde ze de man.


© Rudi J.P. Lejaeghere
23/01/2016


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen