vrijdag 24 juni 2016

Ik vrees

















Over de schouder te kijken,
Het tijdelijke in de beelden zien,
De bloemen en het bezwijken,
Vergeten hoe mooi, hoe erg,
Te ver in het verleden,
Ook het zicht moet wijken,
Het hart zo week en moe;

De liefde, het kind op weg,
Geen zaad verspilt de zaaier,
De adem hard en zwoel,
De mond omvat de lippen
En doorgrond en proeft,
Eet lippen met aardbei rond.

Nader is de grond gekomen,
Dagen, nachten veel te kort,
Alle wegen, velden dromen,
Overpeinzen, mijmeren
En dingen missen;

In kromming en welving aanliggen,
De kleine haartjes rond de navel
Blazen en het pluisje binnenin
Geplant, gepland of min of meer
En nooit meer zo teder meegemaakt.

De spijt om vergankelijkheid
die ’s avonds met een deken dons
Van slaap en vergetelheid
Uit een doosje van de apotheker op de hoek
Wordt zachtjes toegedekt;

Zonder woorden stil,
Enkel maar kijken naar de ogen,
Nu pas de kraaienpootjes zien,
een lach sluimert nog op het gezicht,
en slaapt zo mooi, zo vredig:

Ik vrees voor het moment
Dat het is voorgoed.

© Rudi J.P. Lejaeghere

24/06/2016 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen