vrijdag 27 maart 2015

Requiem: Hoofdstuk 17 (2e deel)














……..


            In de naoorlogse periode hadden de Verenigde Staten van Amerika dat een deel werd van de Oude Wereld minder schade dan hun tegenstanders in het Oosten en als gevolg daarvan hadden ze hun vernielde gebouwen vlugger kunnen herstellen of terug opbouwen. Het strijdtoneel in de Grote Oorlog had zich vooral in een deel van de Oostbloklanden en China afgespeeld. Wat niet wil zeggen dat landen in Noord-Amerika en Zuid-Amerika er zonder kleerscheuren vanaf waren gekomen. Er waren enkele kamikazeopdrachten geweest van de Chinese Luchtmacht die op verschillende plaatsen in Midden-Amerika met name Mexico, Guatemala, Honduras en Nicaragua in grote verliezen werden vertaald. Er was ook een aanval geweest tegen de steden van de Westkust Los Angeles, San Francisco en San Diego. In deze regio met de San Andreasbreuk en ten gevolge van de platentektoniek resulteerde dit in een aantal aardbevingen, waarbij honderdduizenden mensen het lieven lieten.
            In Oost-Europa was het de paniekreactie van Rusland geweest die voor een nucleair inferno zorgde dat half Rusland en een deel van China in de as legde. In die zones was er geen nieuwe start mogelijk. Het was een kerkhof waarvan de enkelingen die deze Holocaust hadden overleefd nog generaties lang na de gevolgen zouden meedragen.
            Men had in de Verenigde Staten van de Westerse Gemeenschap nieuwe wetten gestemd en men had daarbij gekozen voor de harde aanpak. De mensen waren te laks geworden. Voor de Grote Oorlog werd alles toegelaten. Het was een tijd waar veel werd toegelaten. Soms oogluikend, maar meestal als een verworven recht.  Een tijd waar privacy, vrije meningsuiting, stakingsrecht en bijhorende massale betogingen geen ijdele woorden waren. Een tijdperk waarin men big-brotherpraktijken als ernstige misdaden ten boek stelde en aldus ook bestrafte. Het decadente Westen tastte in eigen boezem en de democratie werd in vraag gesteld. Of op zijn minst toch zeker een aantal waarden hieromtrent.
            Privacy was een mooi woord, waar menig politieker stemmen mee geronseld had. Het bleek niet te werken. Dat was het uiteindelijke besluit van de leiders. Hoe meer privacy, hoe meer onlusten, hoe minder men voorbereid was op rellen, betogingen, overvallen of nog erger. Dat was de conclusie van de nieuwe lichting politiekers. De nieuwe regering van de Verenigde Staten van de Westerse Gemeenschap had alle middelen die tot hun beschikking stonden gebruikt om een deel van die Westerse mentaliteit drastisch in te dammen en het roer om te gooien. Het werd een met ‘redenen’ beklede verandering van de maatschappij zoals men die gewoon was.
            Het chippen van iedereen was nog een van de gemakkelijkste opdrachten geweest. Vooral in Europa, waar men nog dichter bij de nucleaire zones zat, was men overtuigd van de voordelen van een lichamelijk ingebouwd alarm tegen straling. In de voormalige Verenigde Staten van Amerika moest men wel wat dwang gebruiken maar uiteindelijk werd iedereen in kaart gebracht.
            Over de nieuwe satellieten die men met tientallen de ruimte in schoot, gaf men niet veel uitleg. De persvrijheid was voor een groot deel beknot en van de kant van het Leger van de Westerse Gemeenschap kreeg men niet meer de vroeger voor zichzelf sprekende informatie over de mogelijkheden van deze satellieten. De waarheid was dan negen op de tien satellieten met een of andere spyware waren voorzien. Men kon op de dag van vandaag in het jaar 2112 op ieders huis en tuintje inzoomen, meeluisteren aan de telefoon of op ieder mobieltje een afluistertap zetten. Als Jan met de pet zijn achterwerk met het verkeerde papier afveegde werd dit ergens genoteerd en werd er een rapport naar een of andere Veiligheidsdienst gestuurd die, als het nodig was, de man van zijn bed lichtte, verhoorde en de gepaste maatregelen nam. In sommige gevallen werd er van de persoon in kwestie niets meer gehoord.
            In andere gevallen kwamen sommige mensen thuis en vertelden hun vrouw of man en kinderen dat ze tegen een muur waren op gebotst of per ongeluk een trap afgedonderd waren. De vrees om de waarheid te vertellen zat er bij de mensen zo diep geworteld dat ze liever tegen hun dierbaren logen, terwijl het tegendeel in hun ogen en op hun lichaam te lezen was. Het waren harde tijden, maar aan alles wordt men gewoon en na een  tijd werden sommige maatregelen ietsje soepeler. Niet omdat de opdracht van overhand kwam om in te binden, maar gewoon de laksheid waarmee mensen elkaar behandelen. De luiheid die mensen eigen is om niet steeds dat te doen wat moet, juist omdat dit in de meeste gevallen wat meer moeite kost. In plaats daarvan keek men even een andere kant op, wat de meesten heel wat gemakkelijker afging.
            Dan kwam de dag dat een vindingrijk man iets ontdekte waarmee hij de overheid te slim af was. Iemand die bijvoorbeeld de werking van de chip kon omzeilen of tijdelijk wat storen. Dat was het kleine zaadje dat kiemde en groeide. Hij of zij vonden een bondgenoot en zo ging het telkens weer. De mens is een creatief wezen, een overlever. Hij past zich vlug aan in slechte tijden en heeft een veerkracht die steunt op eeuwen evolutie.
            Zo ontstond ook in de Verenigde Staten van de Westerse Gemeenschap haarden van verzet. Groepjes mensen die samensmolten en middelen vonden om de overheid een hak te zetten. Ze gaven hun vereniging een benaming zoals iedere rechtgeaarde verzameling van mensen zich een naam toekent. Een naam die eigen is aan het karakter van een in de hoek gedreven mens. Het was geen vernieuwende benaming. Het was er een die in de geschiedenis van de mensheid al dikwijls gebruikt was. De ‘Weerstand’ was een groep van mensen die tegenwerk wilden bieden aan sommige opgelegde regels van de overheid die kant noch wal raakten, vooral de regels die de privacy van de mens schonden. De stappen van deze leden van de Weerstand waren in het begin heel miniem en uiterst onopvallend. Zoals een van de eerste leden het ooit in het begin zei: ‘Beter kleine en voorzichtige stappen vooruit dan een verre onzekere grote sprong in de diepte.’



……..



            Feliciano Louis Díaz y Garcia was Graduado inventor de cosas inútiles of ‘gediplomeerd uitvinder van nutteloze dingen’. Dat was toch de titel die zijn moeder hem steeds toebedeelde wanneer ze tientallen van zijn misbaksels moest opruimen die her en der door het huis zwierven. ‘Feliciano, je hebt toch een werkplaats waar je je speeltjes kunt opbergen, waarom laat je alles hier in mi casa rondslingeren. Busca una mujer amante. Het wordt tijd dat je jezelf een lief vrouwtje zoekt en in een groter huis intrekt anders breek ik hier nog mijn oude benen over je…dingen.’ Eigenlijk had ze rommel willen zeggen, maar ze was nog altijd la mamacita van Feliciano.
            Eigenlijk was hij afgestudeerd als burgerlijk ingenieur elektrotechniek. Hij werkte al een poos voor de overheid. In zijn vrije tijd zat hij altijd wel aan iets te prutsen of probeerde hij een ideetje uit. ‘Ooit doe ik een uitvinding die de wereld zal veranderen, ahora verá mama , je zal wel zien mama’ had hij zijn moeder verteld toen hij nog veel jonger was. Zijn moeder had zoals iedere goede moeder die haar kind probeerde te stimuleren in alles wat hij ondernam, hem die illusie niet ontnomen. Maar nu twintig jaar later was Rosita Margarita Garcia y Pérez daar niet meer zo zeker van.
            De ouders van Feliciano waren uitgeweken Uruguayanen en woonden nu al een twintig jaar in Asuncíon, de hoofdstad van de República del Paraguay. Zoals in elk land van de Verenigde Staten van de Westerse Gemeenschap waar Paraguay ook deel van uitmaakte was er een afdeling van het ‘International Chip Scanning Agency’ of kortweg ‘ICSA’. Feliciano werkte als bediende bij de ICSA die in de hoofdstad Asuncíon alle gegevens in radar bracht van de gechipte burgers. Het was juist omdat hij deze job werd aangeboden, waarvoor hij net zoals duizenden anderen had gesolliciteerd, dat de familie verhuisd was. Hij had geen heimwee naar Uruguay, misschien wel een beetje naar het strand en de zee, maar zijn werk en hobby slorpte hem zodanig op dat hij daar niet zoveel aan dacht.
            Toen hij solliciteerde voor de job, was er een klein stemmetje in zijn hoofd aan het fluisteren dat dit juist iets voor hem was. Hij was uitermate benieuwd wat de chip zoal in zijn mars had en voor welke doeleinden die nog kon gebruikt worden buiten hetgeen de overheid aan de bevolking vertelde. Zijn vader had ook jaren overheidsambtenaar geweest vooraleer hij aan de gevolgen van een zware longontsteking was overleden. Misschien dat Feliciano daardoor een voetje voor had bij de sollicitaties.
            Feliciano was zelfs zo goed dat na een aantal jaar dienst bij de ICSA in Asuncíon er een promotie kwam die hem financieel goed van pas kwam. Een postje bij de ICSA in New York. Het hoofdkantoor! Zijn moeder overtuigen om mee te gaan, was een ander paar mouwen. Ze was dan nog verder van haar geboorteland. Maar ze was een moeder zoals vele moeders en ze hield verschrikkelijk veel van haar zoon, zodat ze uiteindelijk voor de argumenten van Feliciano zwichtte en verhuisde naar de stad New York.
            Normaal gezien werd iedere werknemer van  het ICSA bij het verlaten van de werkruimtes of bureaus gescand door speciale apparatuur om het stelen van overheidsmateriaal tegen te gaan. Feliciano, de uitvinder, had in zijn nieuwe thuis in New York gewerkt aan een toestelletje dat dit probleem of obstakel zou oplossen. Hij had dit voor zijn moeder verborgen gehouden. Als ze dit zou vernemen zou ze het zeker niet overleven, de arme ziel. De angst voor repressie zat er bij haar generatie zo diep in dat zij het hem zeker uit zijn hoofd zou hebben gepraat, hoe mooi hij het haar ook zou uitleggen.
            Zijn nieuwe uitvinding zag eruit als een klein plat, plooibaar envelopje in zwarte stof. Binnenin waren fijne metaaldraadjes verweven en vormden van het envelopje een minikooi van Faraday. Hij had thuis zijn uitvinding meerdere malen uitgetest met zijn eigen elektronisch materiaal en een scanner. De voorwerpen die hij door de scanner haalde wanneer ze in het envelopje zaten kwamen niet op de radar. De radar zou dus niet mogen reageren bij het scannen van de chip. Het was een eenvoudige oplossing op een ingewikkeld procedé. Misschien omdat het zo voor de handliggend was, had niemand eraan gedacht.
            Feliciano Louis Díaz y Garcia had in zijn nieuwe functie als  afdelingshoofd toegang tot een aantal secties in het ICSA waaronder ook het magazijn en de plaatselijke medische afdeling. In het magazijn bewaarde men in speciaal beschermde dozen een aanzienlijke lading chips die men in de medische afdeling inplantte bij diegenen die ofwel nog niet gechipt waren of bij personen waarvan de werking van de chip om een of andere reden te wensen over liet en waarbij men een nieuwe inplantte zonder de oude te verwijderen.
            Op dit moment kon men de oude chip nog niet verwijderen vanwege de versmelting van de natuurlijke vezels die ontstonden tijden de inkapselingperiode van de chip met het brein. Via de centrale computer in het hoofdkwartier in New York kon de oude chip gedeactiveerd worden, dit zonder enig risico voor de drager. Er werden na verloop van tijd nieuwe verbindingen gelegd door de chip met het brein en er brandde weer een lichtje op de schermen van het ICSA. Het licht kreeg een codenummer en werd verbonden met de juiste identiteitsgegevens die in de databanken van de Agency aanwezig waren.
            Het was voor Feliciano op die manier een klein kunstje om een aantal van deze chips te ontvreemden, het voorraadbeheer aan te passen in de computer en de chips door de scanner te smokkelen zonder dat die een signaal gaf. Feliciano was het eerste lid van de Weerstand die de overheid een heel belangrijke hak had gezet. Ook dat vertelde hij niet aan mamacita Rosita.

copyright Rudi J.P. Lejaeghere
27/03/2015


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen