zaterdag 26 maart 2016

Chateau Rouge: Deel 3





3. Een familieruzie

            Katarina merkte dat haar vriend, Jean-Pierre, erg geschrokken was door de brief die ze hem had overhandigd. Niettegenstaande ze zoveel zaken te regelen had, was haar eerste bekommernis hem te helpen waar ze maar kon.
            ‘Als ik iets kan doen, schatje, je weet dat je alles kwijt kan aan mij.’ Ze legde haar hand even rond zijn nek, terwijl ze hem wat dichter trok en even zacht op de lippen kuste. Als haar vriend ongelukkig was, dan voelde zijn ook mee. Het was een vreemd gevoel, maar zo was het.
            ‘Eigenlijk lig ikzelf aan de basis van onze breuk,’ begon hij te vertellen, terwijl hij even in een vertwijfeld gebaar zijn schouders optrok. ‘Uiteindelijk heb ik enkel maar gereageerd omdat ik mijn zuster graag zag en dat ik niet wilde dat ze emotioneel gekwetst zou raken.’
            Katarina begreep niet echt wat hij wilde zeggen, maar zag toch dat hij zijn verhaal kwijt wou aan haar. Ze zou hem niet haasten of dwingen om zijn familie aangelegenheden voor haar uit de doeken te doen, maar als hij het deed, zou ze een goede luisteraar zijn. Ze zou hem zelfs helpen als ze er de mogelijkheid toe zag.
            ‘Mijn zuster is van nature nogal avontuurlijk aangelegd, moet je weten. Als ik je zeg dat ze als achttienjarige alleen door een groot deel van Noord-Amerika op trektocht is gegaan en zonder veel voorbereiding, kan je misschien al een beeld maken van haar karakter.’ Jean-Pierre wreef even over zijn voorhoofd alsof hij een paar duistere schaduwen wilde wegvegen.
            ‘Trouwens na die reis is het allemaal begonnen. Ze had een kerel leren kennen in Salt Lake City, Utah. Ze bleek halsoverkop verliefd te zijn op hem. Gerry Oldman was zijn naam trouwens. Op het eerste zicht een vlotte kerel, maar er was iets aan hem, ik kon het moeilijk benoemen op dat moment, maar iets deed alle alarmbellen bij me aanslaan.’
            Katarina had zich naast hem neergezet op de vensterbank van een venster dat uitzag op de oprijlaan van het kasteel. ‘Soms moet de mens dat oerinstinct volgen, Jean-Pierre. Ik vermoed dat je gelijk had om hem niet te vertrouwen, is het niet?’
            ‘Ja, inderdaad. Ik heb een oude studievriend die uitgeweken is naar Denver, Colorado. Wij zijn nog altijd in contact via mail en nu ook via Facebook. Ik vroeg hem om inlichtingen in te winnen over die Gerry. Mijn vriend werkt namelijk bij de FBI, weliswaar enkel in de administratie, maar hij heeft zijn contacten. Ik sloeg gewoon achterover toen hij mij met zijn bevindingen opbelde.’
            ‘Oei, dat klinkt niet echt goed,’ antwoordde Katarina, toen ze zag dat er een duistere glans over de ogen van haar vriend gleed. Er viel een kleine stilte, maar ze wou hem niet dwingen om verder te vertellen. Het was zijn zuster, zijn verhaal.
            ‘Hij was in elk geval heel erg rijk,’ ging Jean-Pierre verder, ‘daarover had hij toch niet gelogen. Het was enkel de manier waarop hij zo welstellend was geworden die bij mij niet echt in de smaak viel. Niet dat ik er veel kon aan doen, als de FBI geen bewijzen tegen hem kon verzamelen, wie ben ik dan om daar wel in te slagen.’
            Jean-Pierre slikte even en begon onbewust aan de nagelriem van een van zijn vingers te frunniken. De herinneringen waren zo sterk, dat hij het heel moeilijk had om uit zijn woorden te raken.
            ‘Gerry Oldman was een afperser. Racketeering heten ze dat in Amerika. Weet je wat dit betekent?’ Hij keek naar Katarina, die haar wenkbrauwen fronste.
            ‘Ja, ik heb daar nog het een en ander van op de TV gezien. Het is het afpersen van mensen in ruil voor bescherming. Klopt het?’
            Jean-Pierre knikte. ‘Hij bezat die “organisatie” van handlangers die bij zekere zakenmensen langsgingen en hen bescherming beloofden tegen overvallen en ander banditisme tegen betaling natuurlijk. De meesten onder hen die de eerste maal bezocht werden weigerden…dat spreekt voor zichzelf. Maar dat kwam hen duur te staan. Enkele onder hen werden als voorbeeld genomen en hun zaak werd kort en klein geslagen en de eigenaars zelf raakten som ernstig gewond. Het was normaal dat daarop de meerderheid met angst in het hart betaalden.’
            Katarina voelde waar dit verhaal heen ging, maar ze wachtte geduldig tot haar vriend verder sprak.
            ‘Ik wou mijn zuster overtuigen om te breken met die man, zei dat hij een gangster was. Zij geloofde me niet en ik haalde de inlichtingen boven van mijn vriend. Ze vroeg me of ik keiharde bewijzen had en… die had ik niet. Ze verweet me dat ik haar geluk niet gunde en  van het een kwam het ander. Uiteindelijk na de laatste hoogoplopende ruzie zijn we al schreeuwend en roepend uit elkaar gegaan. Zij is vertrokken naar Salt Lake City en ik heb ze nooit meer gezien of gehoord.’
            ‘Ik begrijp het, Jean-Pierre. Het moet hard geweest zijn voor je op dat moment. Je moet je in elk geval niets verwijten. Je hebt gedaan wat je kon en je hebt het uit genegenheid voor je zuster gedaan, schatje. Maar je moet het eens van de ander kant bekijken.’
            Jean-Pierre keek vreemd op. ‘Hoe bedoel je, Kat? Welke kant?’
            ‘Die man is gestorven. Nu wil ze je weer zien. Misschien geeft het lot jullie beide een tweede kans. Denk je niet, dat je deze met beide handen moet nemen. Het verleden is het verleden, gisteren kunnen we niet veranderen. Maar vandaag of morgen is nog steeds zuiver en  maagdelijk wit als een vers blad papier. Wat je daarop zal schrijven ligt aan jullie twee.’
            Er gleed een glimlach over het Jean-Pierre’s gezicht.
            ‘Wat is er nu, heb ik iets verkeerds gezegd, schat?’ vroeg Katarina terwijl ze haar hand op de zijne legde.
            ‘Ik wist wel dat jij de slimste van ons twee was, Kat. In een paar zinnen kan je mij mijn zorgen doe wegsmelten. Je hebt gelijk, ik neem deze kans met beide handen. Morgen zal mijn zuster weer bij me zijn en daar ben ik verschrikkelijk blij om.’

© Rudi J.P. Lejaeghere

18/10/2015



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen