zondag 24 april 2016

Chateau Rouge: Deel 7


















7. De sjaal van de dader?


            Commissaris Leclercq was een struise man met haar zo wit als verse sneeuw. Met zijn sigaret bungelend in zijn mondhoek en zijn koele ogen had hij iets weg van Jean Gabin, een oude Franse filmster van weleer, die zowel de rol van politieman als gangster had gespeeld tijdens zijn filmcarrière. Hij moest zonder twijfel bijna tegen de pensioenleeftijd zijn, hoewel zijn rechte houding en dynamiek dit totaal loochende. De oude politieman had zijn mannen aan het werk gezet. Het bijhuis van de conciërge was afgebakend met het rood-witte politielint dat voor de plaats van een misdaad werd gebruikt.
Leclercq was met zijn adjudant als een van de eerste politiemensen toegekomen op het Chateau met hun snelle wagen, beschilderd met blauw en rode strepen op een witte achtergrond. Zowel Katarina als Jean-Pierre waren verrast toen ze zijn adjudant herkenden. Adjudant François was geen onbekende voor hen. Hij was nog altijd de vriend van Cecile, Katarina’s tweelingzuster en had hen met raad en daad geholpen tijdens de ontvoering van de moeder van beide zusters.
            Zoals de brandweercommandant had verteld, stapte de recherche met de technische dienst ter plaatse af om de zaak diepgaand te onderzoeken. De vier mannen van de technische dienst gehuld in witte papieren overalls en mondbeschermers porden in hoeken en kanten naar bewijsmateriaal. Jean-Pierre twijfelde of ze nog bruikbare sporen of vingerafdrukken van de dader zouden vinden. Vuur is nogal vernietigend, maar je wist maar nooit. De onderzoekingstechnieken stonden voor niets en hij hoopte al was het maar voor de innerlijke rust van zijn vriendin, Katarina, dat men toch een aanknopingspunt zou terugvinden.
            Katarina had iedereen verwittigd dat ze het kasteel niet mochten verlaten, gezien de mogelijkheid dat men eventuele getuigen zou willen ondervragen. Na de eerste schrik en verrassing had de jonge Barones de touwtjes weer stevig in handen. Ze zette zoals een goede zaakvoerder iedereen weer aan het werk. Ze wist nu wel niet wat het onderzoek zou uitwijzen, maar ze ging er nog altijd van uit dat het een samenloop van omstandigheden was geweest die tot de brand had geleid. Als het aan haar lag, zou het feest doorgaan.
            Na een tijdje zocht Commissaris Leclercq haar terug op in het kasteel, waar ze ondertussen bezig was met de tafelschikking in het salon. ‘Excuseer, Barones,’ sprak de man haar aan met een ietwat hese stem. De gelijkenis met de Franse filmacteur ging nu zelfs nog meer op. ‘Kunt u mij een kamer toewijzen waar ik de getuigen kan ondervragen? Het hoeft niet groot of comfortabel te zijn. Een tafel en een paar stoelen is voor mij voldoende om mijn werk te kunnen doen.’
            ‘Geen probleem, Commissaris. U kan mijn eigen bureau gebruiken. Daar staan voldoende stoelen en er staat ook een koffiezet als u iets warms wilt drinken. Ik zorg ook voor wat water als u dat liever hebt.’ Katarina ging hem voor, de weg tonend naar haar bureau.
De inspecteur met het witte haar gaf zijn ogen goed de kost toen hij door de  gangen van het kasteel liep. ‘U bezit het kasteel in eigen naam, Mevrouw, of huurt u?’ vroeg hij haar toen ze op weg waren naar de toegewezen verhoorkamer.
‘Het Chateau was van mijn moeder, maar heeft het op mijn naam gezet nog voor ze stierf.’ Even gleed er een trieste blik over haar gezicht. ‘U zal wellicht tijdens het onderzoek nog wel te weten komen dat mijn moeder door een crimineel werd doodgeschoten. Het waren zowel voor mijn zuster als mezelf moeilijke tijden. Net nu we het wat te boven waren gekomen gebeurd dan weer zoiets. Gelukkig heb ik veel te danken aan Jean-Pierre, mijn vriend. Hij redde mij het leven door voor een kogel te springen die voor mij bestemd was. Als dank heb ik het kasteel op zijn naam gezet.’
Leclercq knikte. ‘Ik heb erover gelezen in de krant. Mijn deelnemen met uw verlies, Barones.’
Ondertussen waren ze aan Katarina’s bureau gekomen. Een sober ingerichte ruimte, eerder modern aangekleed als je deze plaats vergeleek met de rest van het kasteel. Er stond een grote printer in een van de hoeken, het bureaumeubel in de kamer was in lichtgekleurde eik uitgevoerd. De commissaris telde vier stoelen en twee tafeltjes. Eentje waarop de koffiezet stond en een andere dat diende als salontafeltje waar twee zetels overtrokken met helderrood leder stonden.
‘Volstaat dit, commissaris?’ vroeg Katarina terwijl ze wees naar de grote bureaustoel die voor het bureau stond. ‘Neem plaats, ik zal vragen dat de getuigen van de brand…!’ Haar zin werd afgebroken door een schreeuw van een  vrouw. Vlug voor zijn leeftijd, sprong de politieman langs Katarina heen en liep in de richting van het lawaai. Blijkbaar hadden nog mensen de vrouw horen schreeuwen in de inkomsthall. Ze keken allemaal naar boven. Een lijkbleke jonge vrouw stond op de overloop te wijzen in de richting van de slaapkamers. ‘Mevrouw…een man…dood!’
Het waren maar drie woorden, maar voldoende om Leclercq in actie te doen schieten. Hij trok zijn wapen en schreeuwde een paar bevelen naar twee van zijn mannen die daar ook stonden. ‘Niemand gaat naar boven, tot wij het anders zeggen. Kom mannen, geef mij dekking.’ Met het wapen in de aanslag liep hij de trappen op.
Jean-Pierre en zijn zuster Marie-Anne die ook verrast waren door het lawaai kwamen vanuit het grote salon aangelopen. ‘Wat is er, Katarina, wat is er hier gebeurd?’ vroeg een geschrokken Jean-Pierre.
Katarina trok haar schouders op maar keek ongerust in de richting waar de politiemensen waren gelopen. ‘Ik weet het niet, Jean-Pierre, maar ik ben er niet gerust in.’ Mathilda, het meisje die geschreeuwd werd ondertussen door een paar van haar collega’s getroost.
‘Wat is er daar boven gebeurd, Mathilda?’ vroeg Katarina stil terwijl ze het meisje bij haar schouders vasthield. ‘Wat heb je gezien?’
Het meisje snikte en keek angstig met grote ogen in de richting van de eerste verdieping. ‘Ik…, conciërge…boven…dood!’
Jean-Pierre keek naar Katarina en zag dat ze heel bleek wegtrok. Hij haastte zich om haar in zijn armen te nemen, bang dat ze zou flauwvallen. ‘Zet je even neer, schat, hier op deze stoel. Moet je wat water?’
Katarina schudde ontkennend haar hoofd dat ze niets nodig had. Iedereen had de woorden gehoord en stond met verbazing naar elkaar te kijken. Zowel Marie-Anne, Jean-Pierre als Katarina wisten dat het feest niet meer zou doorgaan. Daar zou de politie wel voor zorgen.
Op dat moment kwam Commissaris weer terug de trap af met een ernstige frons op zijn gezicht. Zijn ogen keken om zich heen alsof hij iets of iemand aan het zoeken was.
Toen zag Jean-Pierre bijna op hetzelfde ogenblik als zijn vriendin dat de politieman iets in zijn hand had. Een rode sjaal. Beiden wisten van wie deze was, maar ze wachten tot Leclercq beneden was en de vraag stelde.
‘Van wie is dit voorwerp, Mevrouw?’
Even was er een dreigende stilte. Niemand sprak, iedereen hield zijn adem in.
‘Die is van mij, commissaris,’ verbrak Jean-Pierre de stilte. ‘Waarom?’ Hij zag dat de politieman plastieken handschoenen aanhad. Hij wist dat dit was om eventuele sporen op de sjaal niet te bezoedelen.
‘We hebben de conciërge gevonden in de Chambre Rouge.’ De dubbelganger van Jean Gabin wachtte een ogenblik om verder te gaan. Katarina keek van Jean-Pierre naar de politieman . Wat betekende dit?
‘De man is dood, gewurgd met deze rode sjaal. Uw sjaal, mijnheer Jean-Pierre.’


© Rudi J.P. Lejaeghere

21/12/2015


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen