maandag 22 december 2014

Boeddorst: Hoofdstuk 1





            Er was genoeg licht. Maar het kwam niet van de zon. De kunstmatige verlichting gaf het bleke gelaat van de ouderling een gelige glans. Zijn gelaat zelf was doorgroefd met ontelbare rimpels. De wandelstok die hij in zijn rechterhand had, was echter eerder voor de vorm, dan dat hij die nodig had. Zijn trage stappen leidden hem naar een grote zetel die meer geleek op een troon voor een koning.
            Niemand anders zou in deze zetel plaatsnemen. Het ‘was’ dan ook een troon. Alhoewel velen zich geroepen voelden om na zijn ontbinding die plaats in te nemen, hield men deze mening angstvallig voor zich. De oude man had niet alleen het respect maar ook de vrees verdiend die men voor hem bezat. Ooit was hij de sterkste en bekendste vampier van het Noordelijk halfrond geweest. Zijn daden waren hem vooruitgegaan en door de jaren heen hadden ze zelf aan sterkte gewonnen.
            Met een zucht liet hij zich in zijn zetel vallen. Zijn grote handen met lange vingers beroerden de zetelleuningen. Boven op die handen vol met levervlekken lagen als een landkaart de blauwe lijnen van zijn aderen. Zijn verlangen naar de vergetelheid was groot. Hij had in de eeuwen die hij had geleefd alles meegemaakt, alles gezien. Wat hij als doel voor ogen had gehad, was bereikt. Zijn leven zat erop, zijn taak was vervuld. Het vuur was uit zijn ogen en uit zijn hart verdwenen.
 Hoe zou het gaan als hij er niet meer was? Hij dacht aan al de jaren dat hij zijn rijk had geregeerd met harde hand. Nog altijd, tot op de dag van vandaag, had hij de touwtjes goed in handen. De gemeenschap van Westerse vampiers had zich weten te handhaven en was zelfs heel wat groter en belangrijker geworden tijden zijn beheer. Niemand zou kunnen zeggen dat Dragosj een slechte heerser was geweest. Niemand zou kunnen beweren dat hij het niet goed voorhad met de zijn volk.
            Zijn gedwongen rust tijdens de dag had hem de laatste tijd geplaagd met vreselijke nachtmerries. Hij droomde van het bloed! Dat zou echter niet abnormaal moeten genoemd worden bij een vampier, was het niet dat het bloed dat vloeide in zijn dromen het zijne was. Onrustbarende visioenen die hem kwelden tijdens zijn dagelijkse rust. Gelukkig was er de nacht, waar hij zijn gedachten kon verzetten. Hij wilde nu niet meer jagen, hij voelde de drang niet meer. Zijn mensen brachten hem genoeg prooien om zijn dorst te lessen, hij moest nog even blijven leven. Zo veel als vroeger had hij er trouwens ook niet meer nodig. Enkel het hoogstnodige om alles te kunnen regelen. Nog eventjes en dan zou het genoeg zijn. Dan zou hij met alle plezier naar de zon gaan.
Dragosj had zoveel gezien en beleefd. Hij was bijna twaalfhonderd jaar oud. Koningen zien gaan en nieuwe zien komen. Oorlogen had hij meegemaakt, zelfs meegevochten in een paar waar hij het verschil had gemaakt tussen verlies en overwinning. Dragosj wist dat een einde van een tijdperk was aangebroken. Vooraleer het zover was, zou hij een opvolger moeten kiezen. Er waren een aantal gegadigden, goede kandidaten maar de beste van hen allen was juist het probleem waar hij de laatste weken mee worstelde.
            Julius was zijn eigen bloed en hij had alle eigenschappen om een goed leider te zijn. Dragosj was zijn maker en had hem ook opgeleid. Het probleem was dat Julius niets van zijn schepper moest weten. Hij leidde een liederlijk leven tussen zijn prooien en als hij aan de bloeddorst toegaf, moest Dragosj dikwijls zorgen dat de wereld niet op het spoor van hun gemeenschap kwam. Julius was slordig en losbandig, maar enkel omdat hij zijn maker wilde uitdagen. Er waren andere tijden geweest, waar Julius met aanbidding naar Dragosj had opgekeken. Wat had hij verkeerd gedaan? Wie wou niet het beste voor zijn kinderen.  Hij bood hem zijn rijk aan op een gouden schoteltje en Julius keerde hem zijn rug toe.
            Er waren gelukkig nog twee andere goede kandidaten. Milosj was al wat ouder, maar kon steunen op een uitgebreide ervaring. Hij zou een goede leider zijn, maar Dragosj dacht dat hij te ruimdenkend zou zijn. Als voorbeeld voor je volk moest je hard kunnen zijn, je gevoelens kunnen opzij zetten en toeslaan vooraleer je tegenstrever zich had kunnen voorbereiden. Milosj praatte echter te veel. Wou altijd alles met woorden oplossen. Maar als het moest zou hij de fakkel aan hem doorgeven.
            Als laatste, maar zeker niet de minste, was er Diana. Een fabelachtige schoonheid met zwart haar en even ogen als de nacht. Ze was een echte krijger en zou vechten als het nodig was tot haar laatste snik voor haar broeders en zusters. Ze ging voor niets uit de weg en vele van haar mannelijke tegenstanders hadden dit ter schade en schande moeten ondervinden. Maar…ze was zo impulsief dat ze daardoor fouten maakte. Een ander probleem was dat ze officieus het liefje van Julius was. Waarom maakte de jeugd het allemaal zo moeilijk?
            Zijn aandacht werd getrokken door wat geluid achter een van de deuren van het vertrek waar hij zich bevond. Hij had gevraagd niet gestoord te worden. Wie durfde zijn bevelen te dwarsbomen?   
            De bewuste deur werd opengeworpen en met een duizelingwekkende snelheid knielde een in het zwart geklede man voor Dragosj. De oude vampier had al gehoord aan de geluiden en aan de typische tred van de man, dat het zijn bediende Markus was. Hij was een van de oudste en trouwste dienaren die hij ooit had gehad. Hij was ook de enige die bij Dragosj op die manier mocht binnenvallen.
‘Vergeef me, Heer, dat ik u stoor, maar ik heb heel slecht nieuws!’ Hij keek niet eens op, wachtend tot zijn Heer zijn toestemming zou geven.
            ‘Sta op, Markus. Vertel gewoon wat er gebeurd is.’ Dragosj hield niet van al dat uiterlijk vertoon, alhoewel hij het getoonde respect voor zijn positie kon waarderen. De tijd dat men knielde voor koningen en prinsen was sinds lang voorbij. Men leefde in de 21e eeuw. Zelfs vampiers moesten met hun tijd meegaan. Hij wist echter dat Markus van de oude stempel was en het nooit in zijn hoofd zou halen om oneerbiedig te zijn, een deugd die hij dan ook waardeerde in zijn dienaar.
            ‘Heer, het is Milosj.’ Blijkbaar moest de man aangespoord worden om verder te vertellen, vrezend dat zijn heer en meester het nieuws niet leuk zou vinden.
            ‘Als je nu eindelijk mij eens vertelde waarom je hier zo komt binnenstormen, zou ik tenminste kunnen uitmaken of al die herrie wel nodig is.’
            De boodschapper keek even vlug in de ogen van Dragosj, maar richtte direct daarna zijn blik terug op de grond. ‘Milosj…is dood, Heer. Hij en twee van zijn mannen zijn in stukken verscheurd door…eigenlijk weten we niet door wat of wie. We hebben hun lichaamsdelen en hun bloed gevonden in het huis van Milosj aan de Kaai. Het lijkt erop dat ze weinig of geen weerstand hebben kunnen bieden aan hun aanvaller.’
            Dragosj verroerde geen vin. Hij probeerde zijn gevoelens van verdriet, woede en onbegrip in toom te houden. Milosj dood, hoe kon dit? Een van de sterkste vampiers die hij ooit had leren kennen. Hij had hem ooit nog gerekruteerd uit de bende die de onderwereld van Parijs in handen had. Zijn tegenstander moet heel speciaal, heel sterk zijn geweest. Te meer dat hij nog twee mannen bij zich had, zijn gewone lijfwachten die ook van geen kleintje vervaard  waren. Neen, dit vroeg om direct overleg.
            ‘Markus, roep de Ouderenraad te samen. Ik wil hen hier binnen drie uur aan de vergadertafel zien zitten. Geen uitvluchten, wie niet kan of wil komen, zal persoonlijk met mij te maken krijgen. Het is niet omdat ik met een stok loop, dat ik hen niet naar de zon kan zenden.’
            De dienaar knikte en spoedde zich naar buiten om de opdracht van zijn heer uit te voeren. Hij wist dat sommigen zouden tegenstribbelen omdat ze niet de voorkeur voor de opvolging genoten. Maar hij zou de dreiging woordelijk overbrengen aan hen. Hij wist ook dat elk van hen dit goed zou begrijpen en aanwezig zijn.


……….          


            ‘Diana, liefje, je moet je niet zo laten opjutten. Die man zag gewoon een mooie vrouw en hij heeft dat dan ook laten blijken. Moest je hem daarom direct van zijn miserabel leven… en van zijn hoofd verlossen?’ Julius zei het wat plagend. Wat kon hem het leven schelen van een gewoon mens. Het waren toch maar zwakkelingen die niet eens van bloed hielden. Ze leefden minder lang dan een eeuw en in alles waren ze inferieur aan vampiers. Traag van beweging en zwak van gezondheid stonden ze heel wat lager op de ladder van de evolutie dan Julius en zijn soortgenoten. Hij verachtte ze.
            ‘Ik neem het niet als men mij behandelt als een of andere goedkope troela. Trouwens, die melkmuil was amper vijfentwintig jaar. Wat dacht hij wel om tegen mij schatje te zeggen. Ik ben de schat van niemand…Je moet zo niet zitten lachen, Julius, ik ben ook niet jouw schat. Als je lief tegen me bent, mag je me hoogstens Vrouwe Diana noemen. We zijn elkaar nog niet beloofd geweest.’
            Julius wist wanneer hij moest inbinden. Diana had weer een van haar kuren en dan was er geen land mee te bezeilen. Je moest ze laten uitrazen, dan kwam alles weer vanzelf op zijn pootjes. ‘Oké, Vrouwe Diana, ik heb gehoord Dragosj een van ons gaat voordragen voor hem op te volgen. Wat zeg je daar op?’
            Ze draaide wat rond hem. Hij moest toegeven dat ze mooi was als ze boos was. Haar lange krullende zwarte haar zwaaide van links naar rechts terwijl ze door de kamer aan het ijsberen was. Ze had het figuur van een mannequin, maar haar spieren waren harder en sterker dan vele van haar mannelijke soortgenoten. Haar huid was melkwit en haar lippen aangezet met rode lippenstift trokken een bloedrode streep in haar bleke gezicht.
            Diana was nog wat aan het pruilen maar wist wel wanneer ze goed moest denken en wanneer ze mocht doorpraten. ‘Het is niet aan mij om de keuze van Heer Dragosj te becommentariëren. Als hij een van ons kiest, dan…moeten we vereerd zijn.’ Ze keek hem in zijn bruine gazelleogen die niet verraden dat hij een echt roofdier was. Zijn golvend bruin haar gaven hem iets vrouwelijks, maar zelfs zijn beste vrienden zouden hem dat nooit zeggen in zijn gezicht, als hun leven hen lief was natuurlijk.
            ‘Wel…Vrouwe Diana, als hij mij kiest dan zal ik gewoon vriendelijk bedanken.’
            Diana keek hem nu verbaasd aan. Ze wist dat het niet zo goed boterde tussen Julius en zijn maker, maar om nu de grootste eer onder de vampiers te weigeren, dat was zelfs voor haar een brug te ver. ‘Waarom zou je zo…verdomd stom zijn, Julius? Weet je wel wat je zegt?’
            ‘Ik weet heel goed wat ik zeg en hij zal het wellicht niet een verrassing vinden. Maar ik heb mijn redenen. Het is niet dat ik…het niet zou kunnen of dat ik vrees te kort te schieten bij zo’n verantwoordelijke positie. Ik gun hem gewoon het succes niet. Punt.’
            ‘Maar waarom ben je zo onmogelijk als het om Dragosj gaat? Kan je me dat vertellen of ga je belachelijk doen en zeggen dat ik het toch niet zou begrijpen? Ik kan je op voorhand zeggen dat ik die ongeëmancipeerde houding van je ten zeerste afkeur.’
            Julius lachtte. ‘Je bent me een speciaal nummer, Diana. Ik heb nog niets gezegd en je verwijt me zaken die ik niet eens heb beweerd. Het is niet dat je het niet zou begrijpen, het is dat ik je vertrouwen in Dragosj niet wil schaden. Ik weet dat je hem vereert, maar daar kan ik persoonlijk niet…niet meer achter staan.’
            Diana fronste haar wenkbrauwen. ‘Steeds als we op dat punt terechtkomen, bind je weer in. Ik vraag mij af wat Dragosj je heeft misdaan, dat je zo’n wrok tegen hem koestert. Julius, het kan soms wonderen doen om je hart te luchten en de dingen in perspectief te zien. Misschien is Dragosj toch niet de man waar voor je hem houdt.’
            Op dat moment werd er hard op de deur geklopt.
            ‘Binnen,’ antwoordde Julius.
            Markus kwam aarzelend binnen. Hij had waarschijnlijk gehoord dat Diana en Julius aan het kibbelen waren en wou nu niet tussen aambeeld en hamer gevangen worden. Hij wist dat Diana agressief kon overkomen en had reeds gehoord van haar laatste slachtoffer in de bar die zij en Julius frequenteerde.
            ‘Je ziet er bleker uit dan anders, Markus,’ verwelkomde Julius hem. ‘Je moet je beter voeden. Dan krijg je wat meer kleur. Wat is er gaande dat je ons moet storen?’
            ‘Milosj en zijn lijfwachten zijn vermoord en Heer Dragosj roept de Ouderen te samen. Gezien jullie ook in de raad van de Ouderen zetelen, moest ik jullie officieel uitnodigen om binnen…,’ hij keek even op zijn horloge, ‘anderhalf uur in de vergaderzaal aanwezig te zijn.’
            Zowel Diana als Julius zagen er geschrokken uit. Milosj was voor geen kleintje vervaard en zijn lijfwachten evenmin. Dit was een crisissituatie. ‘Juist, we zullen er zijn, Markus,’ antwoordde Julius tegen zijn zin. Nu zou hij toch nog, willens nillens, voor Dragosj moeten verschijnen. Maar de dood van een van de hunnen, betekende dat alle vetes even opzij moesten gezet worden.
            Diana en Julius lieten de woorden van Markus niet koud worden en namen beiden hun zwart lederen vest en vertrokken naar de vergadering die Dragosj had samengeroepen.


© Rudi J.P. Lejaeghere 21/12/2014

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen