dinsdag 13 januari 2015

Bloeddorst: Hoofdstuk 5



5



Frankrijk, 19 juli 1556

            ‘Jules, je gaat toch weer niet weg? Het is reeds donker en de wegen zijn gevaarlijk op dit uur. Je weet dat ik het niet graag heb.’ Martine zuchtte. Ze wist dat haar zoon niet zou luisteren. Hij was niet bang zoals zijn moeder, die bij het vallen van de avond het huis goed op slot deed en niemand meer binnenliet. Ze hadden niet veel bezittingen en ze leefden van wat ze zelf verbouwden. Wat groenten, aardappelen en ze hadden ook nog een paar geiten voor de melk. Jules deed soms karweitjes in de stad waardoor ze het de ene week beter hadden dan de andere waar hij niets te doen had. Martine was echter tevreden. Ze was gelukkig als ze konden eten en het warm hadden in huis.
            Haar zoon echter was een ander paar mouwen. De rijkdom van de heren van de adel had hem afgunstig en opstandig gemaakt. Ze wist dat hij soms met een paar vrienden optrok, die er hun hand niet voor omdraaiden om een eenzame reiziger te overvallen. Het waren geen moordenaars, enkel dieven, maar zelfs dat kon ze moeilijk goedkeuren. Toch liet ze nooit uitschemeren dat ze er niet mee akkoord was. Zonder haar zoon Jules, zou ze geen reden om te leven meer hebben. Ze wou hem niet tegen het hoofd stoten door hem de les te lezen. Met zijn temperamentvolle karakter zou hij de deur achter zich toeslaan en nooit meer terugkomen.
            Jules had inderdaad een afspraak met zijn vrienden Nicolas en René. Ze wisten dat een van de notabelen van de stad op bezoek was bij zijn zuster op het platteland. Hij zou pas laat met zijn koets terug de stad rijden. Een paar goede kroezen bier had de bediende van de notabele de lippen wat losser gemaakt. Ze zouden zich verschuilen in het bos waardoor de koets trok en deze laten stuk rijden door een put te delven die ze goed gecamoufleerd hadden met takken en bladeren.
            ‘Maman, moeder toch, maak je geen zorgen. Ik ken mijn weg in het donker beter dan wie ook en wie wil mij aanvallen kan ik alvast waarschuwen. Hij zal het niet kunnen navertellen.’ Hij voelde even aan zijn riem, waar een lang jachtmes hing. Hij nam zijn vest en pet en kuste nog even vlug zijn moeder. ‘Blijf niet op, moedertje, je wordt al een dagje ouder en je hebt je slaap nodig. Ik geef morgenochtend de dieren wel eten en melk de geiten, dan kan je wat langer uitslapen.’
            Voor Martine iets had kunnen terugzeggen, was Jules de deur uit verdwenen. Met een zwaar gemoed, sloot ze de deur achter hem. Het was niet de eerst keer dat hij haar zo alleen liet ’s avonds, maar vandaag voelde ze zich onrustiger dan anders. Ze wist echter niet waarom. Haar man zaliger zou er zich niet druk hebben om gemaakt. Misschien zou het allemaal anders gelopen zijn, was hij niet door het dak van de schuur gevallen, terwijl hij het repareerde. Zijn dood had een lege plek achtergelaten voor zowel haar als voor haar zoon, Jules. De jongen had een vader gemist in zijn leven, iemand die hem met wat strengere hand kon opvoeden. Iemand waar hij naar opkeek. Nu liet hij zijn hoofd zot maken door een aantal slechte vrienden. Ze zou, niettegenstaande ze direct naar bed ging, de slaap niet gauw kunnen vatten. Piekeren zat haar nu eenmaal in het bloed.
           
            Jules was de landweg afgelopen en door het bos de weg gevolgd tot aan de kruising. Daar waren zijn vrienden al bezig met de kuil te delven. ‘Kom op, Jules, je mag ook wel een handje uitsteken. We zijn hier al een half uur bezig, luilak.’ Het werd allemaal kameraadschappelijk gezegd, maar Nicolas was iemand die je beter niet tegensprak. Jules was niet bang voor hem, maar hij wou hem te vriend houden. Nicolas kende alle lepe streken en kon een slot kraken in minder dan vijf minuten. Vele van de stadbewoners hadden dit ’s morgens tot hun groot ongenoegen moeten ontdekken. Hij had ook veel contacten om hun gestolen waarden ten gelde te maken. Neen, Nicolas was zijn vriend en hij zou er alles voor doen om dit zo te houden.
            ‘Wanneer verwacht je de koets, Nicolas?’ vroeg Jules terwijl hij hielp om de kuil met takken te bedekken. Ondertussen was René met een hoop bladeren van tussen de bomen teruggekeerd om op het netwerk van takken te strooien. De perfecte val voor hun prooi. Die dikke notabele was goud waard. Ze hadden bij verschillende gelegenheden zijn zware beurs aan zijn zijde gezien met gouden geldstukken. Ze zouden hem deze vanavond wat lichter maken. Die pedante kwast zou het toch niet voelen, hij was rijk genoeg.
            ‘Die kan ieder moment om de bocht daar komen, veronderstel ik. Stel jullie verdekt op aan de kant en wacht tot de koets door de kuil is gereden. Ik doe het woord bij de overval en vergeet niet om jullie halsdoek voor je gezicht te doen. We willen niet dat we morgenochtend uit het bed gelicht worden door de soldaten van de heer. Couchez-vous! Verberg je!’
            Zowel Jules als René verschuilden zich aan de linkerkant van de kuil, Nicolas aan de andere kant. Het duurde toch nog een tiental minuten vooraleer ze het geroffel van paardenhoeven om de bocht hoorden. De koets reed een aardige vaart en de koets reed recht op de kuil af. Niettegenstaande het volle maan was, kon de koetsier de gecamoufleerde valkuil niet ontdekken en het onvermijdelijke gebeurde. De koets botste met een van zijn wielen door het gegraven gat en de as brak. De koets sloeg opzij en de man op de bok vloog over de zitting deels over de paarden op de grond. De geschrokken dieren, schuimbekten van angst. Binnenin de koets was er iemand aan het schreeuwen.
            Nicolas sprong vanachter de struiken en liep op de koets af, nadat hij zag dat de koetsier bewusteloos was. Hij opende de deur van het gekantelde rijtuig. Binnenin lag de notabele te roepen om hulp. Toen hij Nicolas, met de halsdoek voor zijn neus en mond zag, wist hij hoe laat het was. Hij kon niet weglopen, want blijkbaar was een van zijn benen gebroken, maar sowieso wist hij dat hij zo vlug mogelijk zijn geld moest afgeven aan deze struikrovers. Zij waren niet op zijn leven uit, maar op zijn beurs.
            ‘Vlug wat, man, je geld, of ik rijg je aan mijn mes.’ Nicolas stak om de man te overtuigen, zijn lange mes uit naar hem. De notabele moest het geen twee keer gevraagd worden. Hij wierp de beurs naar buiten en Nicolas ving hem heel handig op.
            ‘Vraag hem zijn ringen uit te doen, misschien kunnen die ook nog wat opbrengen?’ riep Jules naar zijn vriend. Hij wilde zich ook stoer voordoen door een voorstel te doen. Eigenlijk was het plan volledig van Nicolas en Jules en René waren er enkel bij als morele steun of als er iets zou mislopen. Jules wist dit ook wel, maar zou dit nooit uitspreken.
            Nicolas keek hem even aan. ‘Goede raad, vriend, kom op…je hoort het, die ringen uit of ik snij ze met vinger en al af als het te lang duurt.’
            De man kon de ringen niet gauw genoeg van zijn dikke vingers krijgen. Eentje schoof nogal moeilijk en het zweet begon van het gezicht van de edelman te stromen. Na zijn vinger nat gemaakt te hebben met zijn eigen speeksel, lukte het hem dan toch om het ding van zijn vinger te wringen.
            Ondertussen had René de paarden losgemaakt en het bos terug ingejaagd. Die zouden in de morgen wel weer hun weg naar de stad vinden. Nicolas verdween in de koets en ze hoorden de ongelukkige man een ogenblik roepen van angst. Kort daarop volgde er stilte. Jules wist dat zijn vriend de man bewusteloos had geslagen om zo te vermijden dat hij zou zien langs waar ze weg zouden vluchten.
            Jules hoorde plots achter hem een kreet. Toen hij zich omdraaide lag het lichaam van René een paar meter verder op de weg langs de grond, maar er was niemand te zien. Jules trok zijn mes en liep langzaam op zijn vriend toe. Toen hij dichter was, zag hij dat de keel van zijn vriend was opengereten en het bloed rijkelijk op de grond vloeide. Angstig keek hij om zich heen. Hij keek even naar de koetsier en zag dat die ook hetzelfde lot had ondergaan
            ‘Nicolas, er is hier iets niet pluis. René en ook de koetsier zijn gedood. Misschien door een roofdier? Ik weet het niet.’ Maar Nicolas antwoordde niet. Traag liep Jules op de koets toe. ‘Nicolas? Waar ben je, Nicolas? Verdorie, antwoord dan toch.’ Helaas kreeg hij geen antwoord op zijn vraag. Met een vlugge blik keek hij door de deur van de koets en hield van schrik zijn adem in. Binnen in de koets lag de lijken van twee mannen. Zijn vriend Nicolas en de notabele, beiden om het leven gebracht op dezelfde manier als René.
            Een ritselend geluid, als een zachte wind die door de bomen streek, bereikte zijn gespitste oor. Hij draaide zich vliegensvlug om zijn as en hield zijn mes voor zich. Een man zat gebogen over het lijk van René. Hij kon niet uitmaken wie het was, maar het moest een lange man zijn volgens zijn schatting. Jules wist niet wat te doen. Was die vreemdeling hier om te helpen? Of was hij de moordenaar? Wie kon in een oogwenk drie mensen op zo’n bloederige manier om het leven te brengen? Met zijn mes vooruitgestoken, naderde hij de vreemde. Nu hoorde hij een geluid, die hem de haren ten berge deed rijzen. Die man was het bloed uit de keel van zijn vriend aan het zuigen en likken. Net als een wild dier. Een gek?
            De vreemdeling stond plotseling rechtop en Jules zag dat hij de lengte van de man goed had ingeschat. Hij was bijna een hoofd groter dan Jules, maar was eerder schraal. Hoe kon zo’n magere tengel drie stevig uit de kluiten gewassen kerels aan? Zijn bloed stolde in zijn aderen toen hij naar het gezicht van de man keek. Bloed was uitgesmeerd over zijn mond, neus en kin. Maar het waren die twee hoektanden die vervaarlijk blonken in het licht van de maand die hem kippenvel bezorgden. Hij wou wegrennen, zo ver mogelijk hier vandaan. Zich verschuilen in een hok in het duister en zich oprollen in een hoekje om alles te vergeten. Maar zijn voeten weigerden dienst. De ogen van de vreemdeling dwongen hem ter plaatste te blijven staan. Hoeveel keer hij ook tegen zichzelf zei dat hij de benen moest nemen, niets hielp.
            ‘Hallo, beste jongeman. Wou jij ergens heen, misschien? Dat is niet zo beleefd van je. Mag ik mij even voorstellen. Graaf Dragosj. U bent…?’
            Jules probeerde te antwoorden, maar hoorde niets uit zijn mond komen. Het was alsof het geluid uit zijn stem was weggenomen. Net als zijn voeten weigerde ook zijn stem zijn bevelen.
            ‘Als ik het goed voorheb, heeft je moeder je bij je geboorte Jules genoemd. Doe geen moeite, jij nietige sterveling. Ik lees je gedachten als een open boek. Vrees echter niet, want het is vandaag een heuglijke dag voor jou.’
            Een verbaasde blik verscheen op het gezicht van Jules. Hoe kon dit nu een heuglijke dag voor hem zijn? Binnen enkele ogenblikken vermoedde hij, kon hij zijn vrienden vervoegen als vers lijk. Hij zou de tijd niet krijgen om zich het hele voorval lang te heugen.
            ‘Neen, Jules, ik zal je leven niet beëindigen. Integendeel, ik zal je er een nieuw geven, een die heel wat langer zal duren dan dit miserabel bestaan die je zou leven.’
            De ene seconde stond de man nog een aantal meter van hem vandaan, de volgende seconde stond hij voor hem…en Jules kon zich nog altijd niet bewegen. Hij had verhalen gehoord van de nachtwandelaars. Sprookjes dacht hij. Of waren die gesteund op gebeurtenissen rond een gekke moordenaar die ’s nachts zijn prooien zocht. Toen de man zijn lippen optrok in een dodelijke grijns wist hij dat de verhalen van zijn moeder en haar leeftijdsgenoten geen vertelseltjes waren. Eerst had hij gedacht dat hij de hoektanden had gedroomd, maar nu de man zo dicht stond, zag hij dat ze werkelijkheid waren.
            Jules kon geen weerstand bieden aan de gebiedende blik van de graaf. Zonder dat die hem het vroeg, ontblote hij zijn nek en bood hem aan de vreemdeling aan. Zonder een moment te twijfelen boorde die zijn tanden in het witte vel van de nek van Jules. Gelukkig dat de man hem vasthield, anders zou hij wellicht omgevallen zijn. Het duurde een hele tijd vooraleer de nachtwandelaar zijn dorst had gelest. Uiteindelijk stopte hij en keek Jules met een zachte blik aan.
            ‘Mijn beste man, het is lang geleden dat ik dit nog heb gedaan. Maar ik voel de nostalgie van het ouderschap terug in mij roepen en daarom…’ hij stopte even en beet met een grauw zijn pols open en bood hem aan de lippen van Jules. ‘Daarom doop ik je met je nieuwe naam in het bloed. Julius! Vanaf nu ben je van mij, tot ik het anders zeg. Als ik je roep zal je komen. Als ik iets vraag zal je antwoorden. Ik ben je schepper en je meester tot de dag dat de zon een van ons zal roepen.’
Jules had zich eerst proberen af te weren van de aangeboden pols, maar de dwang was te sterk. Hij kon niet weerstaan en met walging zette hij de lippen aan de bloedende pols van Graaf Dragosj. Het bloed smaakte zoet en metaalachtig, maar naarmate hij meer binnenkreeg, voelde hij zich vreemd duizelig. De omgeving begon zich te vervormen. De bomen rondom hem vernauwden zich in zijn gezichtsveld om daarna reuzengroot terug te komen. De geluiden in het bos werden tientallen keren versterkt. Hij hoorde geluiden die hij nog nooit had gehoord en hij wist wat ze waren. Alles begon door elkaar te lopen, de beelden, de geluiden en de gevoelens in hem. Zo had hij zich nog nooit gevoeld. Zijn hart bonkte in zijn borst als een op hol geslagen paard tot hij dacht dat het uit zijn beschermende borstkas zou springen en dan…begon het trager en trager te slaan en verloor hij het bewustzijn…en ook zijn leven als Jules.

© Rudi J.P. Lejaeghere
10/01/2015
             

            

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen