donderdag 1 januari 2015

Requiem: Hoofdstuk 11 (2e deel)














……..



            Hij kwam wakker op een brits. Zijn hoofd deed pijn en zijn zicht was troebel. Veel van wat er gebeurd was, herinnerde hij zich niet. Op weg naar huis, na de keiko in de gevechtsschool werd hij aangesproken door twee mannen in een zwart pak. Hij had hen nauwelijks opgemerkt toen ze in een even zwarte autobot naast hem in de lucht bleven zweven. Zoals gewoonlijk was hij onderweg naar huis, uittreksels van ‘Een Boek van Vijf Ringen’ aan het opzeggen in zijn hoofd. Dit was het boek van de leermeester van Kenjutsu, Miyamoto Musashi, het boek dat hij al zoveel keren had gelezen dat hij het bijna helemaal uit zijn hoofd kon opzeggen.
            De mannen in zwart en vooral hun ogen, dat herinnerde hij zich. Ze waren koud en berekenend. Het waren ogen die hij ’s ochtends ook altijd in de spiegel zag. Zonder bewijs wist hij dat dit gevaarlijke mannen waren. De mannen spoten een goedje in zijn gezicht en toen werd plots alles donker. Stemmen…af en toe stemmen, die in zijn half bewusteloze toestand doordrongen van buitenaf. Daarna pijn. Weer stemmen en vreemde geluiden, maar nu binnen in zijn hoofd. Dwingende stemmen!
            Langzaam werd zijn zicht beter en zag hij dat men hem had vastgebonden. Hoeveel hij ook aan zijn boeien wrikte of trok, hij kreeg ze niet losser, integendeel ze sneden dieper in zijn polsen en enkels. Ook rond zijn nek was een brede band bevestigd, zodat hij niet met zijn tanden aan het infuus kon. Het infuus dat in zijn linkerarm was aangebracht, waar druppel per druppel een onbekende vloeistof in zijn aderen verdween. Rond hem stonden nog een aantal monitoren die via draadloze elektroden op zijn lichaam zijn lichaamsfuncties aangaven in lijnen en flikkerende getallen. Hij sloot vermoeid en verward de ogen en wachtte af. Ondertussen hoorde hij muziek, een sombere melodie met stemmen die hem meetrokken in hun lied, steeds dieper tot hij op een moment niet meer wist of hij sliep of nog wakker was.
            Na een tijd, een uur of misschien wel meer - hij had geen besef van tijd - kwam er een man binnen met een witte jas en een steriel mondmasker over de onderkant van zijn gezicht . Hij antwoordde niet op zijn vragen maar verwijderde het bijna leeggelopen infuus en de elektrodes. Uit zijn jaszak haalde hij een injectienaald en een kleine flacon waaruit hij een geelachtige vloeistof opzoog en vervolgens via de katheter de aderen inspoot.
            Het werd weer donker om hem heen en hij hoorde enkel nog de woorden die de man met het mondmasker uitsprak.
            ‘Hij is klaar voor vervoer.’
            Blijkbaar had iemand de dokter gehoord want de deur zwaaide open en de twee mannen in zwart pak kwamen de ruimte binnen en maakten de boeien van de bewusteloze man rond de nek, handen en voeten los. Met hun beiden droegen ze hem naar buiten en deponeerden hem zacht in een brancard die zich in de passagiersruimte bevond van de autobot die na het sluiten van zijn deuren de nacht ingleed.
            Enige uren later werd de verdoofde van de brancard uit de autobot overgeladen in een speciale wagon van een langeafstandstrein van Amtrak die razendsnel vertrok naar zijn bestemming.
            Af en toe kwam hij weer half bij bewustzijn en hoorde hij de stemmen.
            Alles komt goed. Je moet nu rusten. Wij zorgen voor jou. Jij zorgt voor ons. Alles komt goed. Je bent uitverkoren. Luister goed en alles komt goed!
            De bestemming van de trein was La Guardia, de belangrijkste vlieg- en helihaven van New York waar ze hem te samen met een nog een andere persoon op zijn draagbaar in zijn volgende vervoersmiddel overbrachten. De speciale jet steeg ter plaatse een aantal meter vertikaal op, plooide langzaam zijn vleugels uit en gezien de piloot reeds toestemming had gekregen van de vluchtleiding, verdween hij met een duizelingwekkende snelheid. De piloot programmeerde zijn bestemming in de automatische piloot. Die had een van de mannen in het zwarte pak hem toegestopt net voor het inladen van zijn vracht. De piloot kende deze heren omdat hij vroeger nog enkele vrachtjes voor hen had vervoerd. Hij stelde geen vragen, de prijs was goed en hij tikte onbewogen nog enige supplementaire gegevens in de boordcomputer. Het toestel vloog in een grote boog over de skyline van de stad New York en begon zijn lange vlucht richting Nieuwe Wereld.


……..


            Ichirou Kato was adjunct-directeur geweest van het Lucky Child Relocation toen de halfzus van Suzy Chang door zijn organisatie werd geplaatst in haar nieuwe gezin. Stephen had deze informatie nog doorgekregen van de virtuele Suzy. Nadien was zij van het scherm verdwenen en hij vermoedde dat dit het laatste bericht was dat zij voor hem had achtergelaten vooraleer zij gedood werd. Geen verdere uitleg over de twee sleutels en hun bestemming.
            Hij had terstond zijn diplomatieke bronnen aangesproken om deze man op te sporen wat betrekkelijk gemakkelijk was verlopen. Ondertussen had hij zijn thuisbasis verwittigd en de situatie omtrent het overlijden van Suzy Chang uitgelegd. Vermoedelijk bleef hij wat langer rondhangen om de familiezaken te behartigen, had hij aan zijn collega Reginald Holt verteld. Zij zouden zonder hem moeten terugvliegen naar La Guardia New York. Terwijl hij hen toch aan de lijn had, vroeg hij hen echter wel zijn visum te verlengen. Gezien zijn status werd dit in een mum van tijd in orde gebracht. Stephen kreeg drie weken extra om antwoorden te zoeken op al zijn vragen rondom de mysterieuze dood van Suzy.
            Hij had nu wel een naam maar Ichirou Kato was een moeilijk te spreken persoon. Zelfs voor iemand als Stephen March met al zijn diplomatieke invloed en zijn jarenlange ervaring bij de hoogste vertegenwoordigers van de Nieuwe Wereld. Ichirou had LCR verruild voor een directeurspositie bij de Fijutso Building Company.
            Verschillende telefoontjes vanuit zijn ambassade naar de firma werden koel onthaald en hij had na veel aandringen een afspraak kunnen regelen met de secretaris van Ichirou Kato. Men liet hem een klein kwartiertje wachten in een comfortabele lounge waar een lieftallige oosterse dame hem had achtergelaten met een frisdrankje.
            Een kleine man, Ayaka Sato, het stereotiepe figuur van een vooroorlogse Japanner groette hem beleefd en vroeg hem te volgen naar zijn kantoor. Steven volgde hem door een doolhof van gangen die één reclamebord waren voor de Fijutso Building Company. Het was een vooraanstaande firma in de bouwwereld die miljardenprojecten afsloot in de Oude Wereld en blijkbaar met een stevige ‘Return On Investment’. Alles wees op de hoge rendabiliteit van de firma en was luxueus en qua binnenarchitectuur volgens de laatste snufjes ingericht. Zo ook op deze etage van de wolkenkrabber waar zich het hoofdkantoor van het FBC zich bevond.
            Op het grote bureaublad waarachter de klein Ayaka Sato minuscuul overkwam projecteerden zich beelden van de beurskoersen en nieuwsberichten. Hetzelfde systeem als in het appartement van Suzy, maar dan nog wat meer gesofisticeerd en op grotere schaal. Ayaka nam een afstandsbediening in zijn hand en de schermen maakten plaats voor een beeld van een of ander exotisch strand met rollende golven. Het geluid werd gedempt tot een stil ruisen op de achtergrond.
            ‘Meneer March, mag ik u in naam van het FBC onze welgemeende deelneming aanbieden in uw verlies. Een mensenleven is maar een kleine korrel zand op het strand, maar op zich uniek en onvervangbaar. Ik hoop dat de golven van de zee uw verdriet en gemis mogen verzachten en helen zoals het water van de zee het zand keer op keer weer effen strijkt.’
            Stephen knikte kort als teken dat hij het apprecieerde wat de secretaris hem met uitgestreken emotieloos gezicht toewenste. ‘Doomo Arigato Gozaimasu,’ beantwoordde Stephen hem in zijn eigen taal. Hij wou met een positieve toon het gesprek beginnen. Een antwoord in de secretaris’ moedertaal zou misschien de ijdelheid van de man bespelen. Hij sprak geen vloeiend Japans maar deze woorden had hij de laatste tijd toch al heel wat moeten gebruiken: ‘Heel erg bedankt.’ De ogen van Ayaka Sato reageerden inderdaad op zijn bedanking.
            ‘Doo Itashimashite. Welkom! Waarmee kan ik je van dienst zijn Meneer March. Zoals ik u al telefonisch heb gemeld is de directeur Ichirou Kato verhinderd en biedt u zijn diepgemeende excuses aan voor zijn afwezigheid. Ik heb de bevoegdheid en ook de beschikking over alle informatie die de heer Kato-sama u kan verschaffen,’ vertelde Ayaka Sato aan Stephen die aan de overkant van het bureaublad met zijn een meter tweeënnegentig neerkeek op de heer Sato. Sato was dus wel degelijk ondergeschikt aan Ichirou Kato anders zou hij niet het Japans achtervoegsel sama gebruikt hebben.
            Stephen schoof wat dichter bij het bureaublad en met de ellebogen voorover geleund en met de handen in elkaar gestrengeld maar met de beide wijsvingers wijzend op de heer Sato stelde hij resoluut zijn eerste vraag: ‘ De Heer Ichirou Kato was eertijds adjunct-directeur van het LCR, het Lucky Child Relocation. Hij heeft bemiddeld in de adoptie van een familielid van mijn overleden zus Suzy Chang. Het gaat over haar halfzus, kind van Kathy Chang. Ik had graag in contact gekomen met het geadopteerde meisje, ondertussen natuurlijk al een volwassen vrouw. Gezien het overlijden van haar biologische moeder en het feit dat ik bepaalde documenten heb die haar misschien kunnen interesseren of van nut zijn, had ik graag haar huidig adres bekomen.’ Een betere smoes had hij niet kunnen verzinnen. Hij hoopte op het medeleven van de Japanner, maar vreesde het ergste toen hij bij zijn laatste woorden de man al ontkennend zag reageren.
            ‘Meneer March, u moet begrijpen dat die informatie uiterst confidentieel is. De heer Ichirou Kato heeft toentertijd gehandeld volgens de voorschriften van het LCR en het is niet omdat deze organisatie is ontbonden, dat wij ons niet moeten houden aan de letter van de wet van de adoptie. Het kan voor de geadopteerde negatief zijn om terug in contact te komen met zijn biologische ouders of familieleden na een leven in een nieuw gezin.’           
            Natuurlijk had Stephen dit enigszins verwacht. Zonder slag om stoot zou hij die info niet boven water krijgen maar hij probeerde verder te vragen: ‘Als u nu, ter wille van de goede relaties tussen de Oude en Nieuwe Wereld, eens zou polsen of de vrouw in kwestie weet dat ze geadopteerd is. Misschien is het wel haar wens om te weten wie haar biologische moeder was. Wij kunnen ons natuurlijk moeilijk in haar plaats stellen, maar op een bepaald moment in ieders leven zoeken we naar de bron van ons bestaan. We hebben allemaal onze wortels waaruit we verder zijn gegroeid. Als we ’s morgens in de spiegel kijken zien we in onze ogen onze moeder, in onze lach onze vader. Wat als we in de spiegel kijken en een onbekende vrouw of man zien en ons afvragen: Wie ben ik, waar kom ik vandaan?’ Stephen was niet aan zijn proefstuk, had dikwijls als met delegaties van de Oude Wereld gesproken, kende hun sterkte maar ook hun zwakkere punten.
            Ayaka Sato dacht na, plooide zijn handen tegen elkaar voor zijn gezicht in een bijna religieus gebaar. ‘Ik begrijp het allemaal wel. Maar de wet…,’ hij begon toch tekenen te vertonen dat het pleidooi van Stephen March hem ergens had weten te raken. Hij nam plots van onder het tafelblad een mobieltje waar hij na het nummer ingetoetst te hebben in een niet te volgen Japans het een en ander vertelde. Stephen hoorde af en toe zijn naam en die van Suzy en Kathy vallen. Ayaka Sato bleef na een uitvoerige uitleg aan de telefoon een tijdje stil en knikte verschillende malen alsof de persoon zelf aan de andere kant van de lijn voor hem stond. ‘Hai, Doomo Arigato Gozaimasu, Kato-sama.’
            Stephen hield zijn adem in. Dat was een rechtstreekse verbinding geweest met de directeur in kwestie. Nu zou het komen. Nu zou het afhangen van het antwoord of hij zijn zoektocht verder kon zetten. Hai was ‘Ja’, maar ja voor wat? Voor het wel of het niet geven van verdere informatie.
            ‘De heer Ichirou Kato wil voor één enkele keer een uitzondering maken. Maar daar is een voorwaarde aan verbonden. Enkel in het geval u als erfgenaam van Suzy Chang een veiligheidssleutel met een RFID-tag in uw bezit hebt die op een locker past van een kluisje van de ‘Sutimoto Bank & Insurance Company kan ik u verder informatie verschaffen.’
            Stephen haalde de sleutelbos boven en toonde triomfantelijk de sleutel met de RFID-tag. Ayaka Sato knikte bevestigend. Dus Suzy had deze sleutel van die bank op een of andere manier in haar bezit gekregen, misschien via haar moeder. Het was het bewijs en ook het voorrecht dat ze blijkbaar ook aan Suzy hadden verschaft om in het kluisje te komen.
            De kleine Japanner glimlachte voor het eerst. ‘Jawel, meneer March, uw zus heeft ook bij ons dezelfde vragen komen stellen. Zij had natuurlijk, gezien haar rechtstreekse band met Kathy Chang nog iets meer overtuigingskracht om de toegang tot de kluis te verkrijgen. Wij hebben inderdaad ook eerst gepolst bij de ouders van de geadopteerde of de vrouw in kwestie op de hoogte was van haar adoptie. Dat was zo. Volgens de heer Ichirou Kato heeft hij hen de sleutel overhandigd die toegang gaf tot een kluisje waarin meer informatie beschikbaar was over het geadopteerde meisje. Wij hebben verder niets meer gehoord hoe het allemaal is afgelopen, of zij haar dan heeft teruggevonden of niet. U mag niet vergeten dat dit gegevens zijn van de locatie van bij het begin van de adoptie. Gezien de ontbinding van het LCR is de situatie niet meer verder opgevolgd door de heer Ichirou Kato en kan het zijn dat de familie verhuisd is. Het is niet mijn bedoeling u te ontmoedigen, maar ik wil u ook geen valse hoop geven.’
            Stephen stond recht en groette Ayaka Sato met het hand op het hart. Nu stak Ayaka zijn kleine hand uit. ‘Ik hoop dat uw zoektocht beloond wordt. Sayonara’. Het vaarwel van de heer Ayaka Sato betekende dat hij verder geen informatie meer zou krijgen. Dat was het en daarmee zou hij het moeten doen. Stephen was benieuwd wat hij in de kluis zou vinden en indien dit hem zou helpen om Suzy’s zus op te sporen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen